|
"God zegende de zevende dag en maakte hem
heilig" (Gn 2,3)
13. Het voorschrift van de sabbat,
die onder het Oude Verbond een voorbereiding is op de zondag van het nieuwe en
eeuwige Verbond, is dus geworteld in de diepte van Gods plan. Juist daarom
staat dit voorschrift niet naast de voorschriften die louter met de eredienst
te maken hebben, zoals zoveel andere voorschriften, maar binnen in de decaloog,
de 'tien woorden' die de pijlers van het morele leven beschrijven en universeel
in het hart van de mens gegrift zijn. Door dit gebod een plaats te geven in de
context van de fundamentele structuren van de ethiek, laten Israël en
later de kerk zien, dat zij dit niet slechts als een bepaling van de religieuze
discipline van de gemeenschap beschouwen, maar als een wezenlijke en
onvermijdelijke uitdrukking van de betrekking met God die door de bijbelse
openbaring aangekondigd en voorgehouden wordt. In dezelfde orde van denken moet
dit voorschrift door de christenen van vandaag herontdekt worden. Ook al biedt
het een natuurlijk samengaan met de menselijke behoefte aan rust, toch moet het
geloof te hulp geroepen worden om de diepe betekenis ervan te vatten en niet
het risico te lopen er bij dit voorschrift de kantjes van af te lopen of het te
schenden.
|