17. Het thema van de 'herinnering'
aan de wonderdaden die de Heer verricht heeft in relatie tot de sabbatsrust
komt ook naar voren in Deuteronomium (5,12-15) waar de grondslag voor het
voorschrift niet zozeer gelegd wordt in het scheppingswerk, maar meer in het
verlossingswerk van God in de uittocht: "Bedenk dat gij slaaf zijt geweest
in Egypte en dat de Heer uw God u met sterke hand en uitgestrekte arm uit dat
land heeft geleid. Daarom heeft Hij u geboden de sabbat te onderhouden"
(Dt 5,15).
Deze formulering is klaarblijkelijk een aanvulling
op de eerdere. Samen openbaren ze de betekenis van de 'dag des Heren' in een
perspectief waarin de theologie van de schepping en die van het heil samenvallen.
De inhoud van het voorschrift is dus niet op de eerste plaats slechts een
onderbreking van het werk, maar het vieren van de wonderdaden die door God zijn
verricht.
In de mate waarin de van dank en lof jegens God
vervulde 'herinnering' levendig is, krijgt de rust van de mens, de dag van de
Heer, zijn volle betekenis. Daarmee treedt de mens in de dimensie van de 'rust'
van de Heer en neemt hij er intensief aan deel. Hij krijgt zo de mogelijkheid
een zindering te ervaren van de vreugde die de Schepper zelf na de schepping
ervoer, toen Hij zag dat alles wat Hij gemaakt had "heel goed" was
(Gn 1,31).
|