|
Dag van Christus, van het Licht
27. In dit christocentrisch
perspectief komt men tot nog een andere symbolische waarde die door de gelovige
overweging en de pastorale praktijk aan de dag van de Heer is toegekend. Een
verstandige pastorale intuïtie heeft de kerk ingegeven de "dag van de
zon", dat is de naam die de Romeinen aan deze dag gaven en die nog in een
aantal talen terug te vinden is,29 te christianiseren. Op deze wijze werden de
gelovigen afgehouden van een eredienst die de zon vergoddelijkte en richtte zij
de viering van deze dag op Christus, de ware 'zon' van de mensheid. Justinus
gebruikt, als hij aan de heidenen schrijft, de gebruikelijke terminologie toen
hij opmerkte dat de christenen hun bijeenkomsten hielden op "de dag van de
zon".30 Maar de verwijzing naar die uitdrukking krijgt vanaf die tijd voor
de gelovigen een nieuwe en volstrekt evangelische betekenis.31 Christus is
inderdaad het licht van de wereld (vgl. Joh 9,5; vgl. ook 1,4-5 en 9), en de
gedenkdag van zijn verrijzenis is de eeuwige weerspiegeling, in het weekritme
van de tijd, van de openbaring van zijn heerlijkheid. De zondag als door de
zege van de verrezen Christus verlichte dag vinden we als thema terug in het
Getijdengebed.32 Het krijgt een bijzondere nadruk in het gemeenschappelijk nachtelijk
gebed in de oosterse liturgieën ter voorbereiding op en begin van de
zondag. In haar bijeenkomst, generatie op generatie, op die dag maakt de kerk
de verwondering van Zacharias tot de hare, wanneer hij zijn blik opslaat naar
Christus die hij aankondigt als "de Opgaande Zon, die verschijnt aan hen
die in het duister en de schaduw van de dood gezeten zijn" (Lc 1,78-79).
En de kerk zindert mee met de vreugde die Simeon ervoer toen hij het goddelijk
Kind in zijn armen nam dat gekomen was als "een licht dat voor de heidenen
straalt" (Lc 2,32).
|