Hoofdstuk III
DIES ECCLESIAE - DAG VAN DE KERK
De eucharistische samenkomst, hart van de
Zondag
De aanwezigheid van de verrezen Heer
31. "Ik ben met u alle dagen
tot aan de voleinding der wereld" (Mt 28,20). Deze belofte van Christus is
nog steeds te horen in de kerk die daarin het vruchtbare geheim van haar
bestaan vindt en de bron van haar hoop. Als dag van de verrijzenis is de zondag
niet alleen herinnering aan een gebeurtenis uit het verleden, maar vooral
viering van de levende aanwezigheid van de verrezen Christus temidden van de
zijnen.
Het is voor het op passende wijze verkondigen en
beleven van deze aanwezigheid niet voldoende dat de leerlingen van Christus
ieder voor zich bidden en inwendig, in het binnenste van hun hart, de dood en
verrijzenis van Christus herdenken. Wie de genade van het doopsel ontvangen
heeft is niet alleen als individu verlost, maar ook als lidmaat van het
mystieke Lichaam die deel uitmaakt van het volk van God.38 Het is dan ook van
belang, dat de gedoopten bijeenkomen om ten volle uitdrukking te geven aan de
eigen identiteit van de kerk, de ekklesia, de samenkomst die door de verrezen
Heer is bijeengeroepen, door Hem die zijn leven gegeven heeft "om de
verstrooide kinderen van God samen te brengen" (Joh 11,52). Zij zijn één
geworden in Christus (vgl. Gal 3,28) door het ontvangen van de Geest. Deze
eenheid is uitwendig zichtbaar wanneer de christenen bijeenkomen: zo worden zij
zich levendig bewust het volk van vrijgekochte mensen te zijn, samengesteld uit
"elke stam en taal en volk en natie" (Apk 5,9), en zij getuigen ervan
tegenover de wereld. In de samenkomst van de leerlingen wordt in de tijd het
beeld van de eerste christengemeenschap voortgezet, zoals Lucas dat op
voorbeeldige wijze in de Handelingen van de apostelen heeft willen weergeven,
toen hij schreef dat de eerste gedoopten "zich ernstig toelegden op de
leer der apostelen, trouw bleven aan het gemeenschappelijk leven en ijverig in
het breken van het brood en in het gebed" (Hnd 2,42).
|