33. Met name tijdens de zondagsmis
herbeleven de christenen met een bijzondere intensiteit de ervaring die de
apostelen opdeden toen zij op de avond van Pasen bijeen waren, toen de
Verrezene onder hen verscheen (vgl. Joh 20,19). In die kleine kern van leerlingen,
de eerstelingen van de kerk, was op een bepaalde wijze het volk van God van
alle tijden aanwezig. In hun getuigenis weerklinkt voor alle generaties
gelovigen de heilwens van Christus, vervuld van de Messiaanse gave van de vrede
die door zijn bloed verworven was en tegelijk met zijn Geest geschonken werd:
"Vrede zij u." In de terugkomst van Christus onder hen "acht
dagen later" (Joh 20,26) kan men een voorafbeelding zien van het gebruik
van de christengemeente om elke achtste dag, de 'dag des Heren', de zondag,
bijeen te komen om het geloof in zijn verrijzenis te belijden en om de vruchten
te ontvangen die aangekondigd worden in de zaligspreking: "Zalig die niet
gezien en toch geloofd hebben" (Joh 20,29). Deze nauwe relatie tussen de verschijning
van de Verrezene en de eucharistie wordt in het evangelie van Lucas aangeduid
in de geschiedenis van de twee Emmausgangers bij wie Christus zelf zich voegde,
terwijl Hij hen leidde tot inzicht in het Woord en uiteindelijk bij hen bleef
eten. Zij herkenden Hem, toen Hij "het brood nam, de zegen uitsprak, het
brak en het hun toereikte" (Lc 24,30). De handelingen die Jezus bij deze
gelegenheid stelde, zijn dezelfde als bij het Laatste Avondmaal, met een
duidelijke verwijzing naar het breken van het brood, een uitdrukking die door
de eerste generatie christenen gebruikt wordt om de eucharistie aan te duiden.
|