1-500 | 501-1000 | 1001-1491
Chapter, Paragraph
1 Intro | Aan de bisschoppen, de priesters
2 Intro | Aan de bisschoppen, de priesters en diakens, de
3 Intro | de priesters en diakens, de mannelijke en vrouwelijke
4 Intro,1 | het derde millennium van de nieuwe tijd nadert, komt
5 Intro,1 | tijd nadert, komt spontaan de gedachte op aan de woorden
6 Intro,1 | spontaan de gedachte op aan de woorden van de apostel Paulus: "
7 Intro,1 | gedachte op aan de woorden van de apostel Paulus: "Toen de
8 Intro,1 | de apostel Paulus: "Toen de volheid van de tijd gekomen
9 Intro,1 | Paulus: "Toen de volheid van de tijd gekomen was, heeft
10 Intro,1 | uit een vrouw" (Gal 4,4). De volheid van de tijd valt
11 Intro,1 | Gal 4,4). De volheid van de tijd valt samen met het
12 Intro,1 | samen met het geheim van de menswording van het Woord,
13 Intro,1 | menswording van het Woord, de Zoon, één in wezen met de
14 Intro,1 | de Zoon, één in wezen met de Vader, en met het geheim
15 Intro,1 | Vader, en met het geheim van de verlossing van de wereld.~
16 Intro,1 | geheim van de verlossing van de wereld.~Paulus wijst er
17 Intro,1 | vrouw, geboren is onder de Wet, in de wereld is gekomen
18 Intro,1 | geboren is onder de Wet, in de wereld is gekomen om hen
19 Intro,1 | gekomen om hen die onder de Wet stonden, te bevrijden
20 Intro,1 | te bevrijden opdat zij de rang van zonen en dochters
21 Intro,1 | ge zonen zijt: Hij heeft de Geest van zijn Zoon in ons
22 Intro,1 | Vader!" En hij trekt daaruit de werkelijk bemoedigende gevolgtrekking: "
23 Intro,1 | uiteenzetting van het geheim van de menswording bevat de openbaring
24 Intro,1 | van de menswording bevat de openbaring van het geheim
25 Intro,1 | geheim der Drieëenheid en van de voortzetting van de zending
26 Intro,1 | van de voortzetting van de zending van de Zoon door
27 Intro,1 | voortzetting van de zending van de Zoon door de zending van
28 Intro,1 | zending van de Zoon door de zending van de heilige Geest.
29 Intro,1 | Zoon door de zending van de heilige Geest. De menswording
30 Intro,1 | zending van de heilige Geest. De menswording van Gods Zoon,
31 Intro,1 | ontvangenis, zijn geboorte, zijn de premissen van de zending
32 Intro,1 | geboorte, zijn de premissen van de zending van de heilige Geest.
33 Intro,1 | premissen van de zending van de heilige Geest. De tekst
34 Intro,1 | zending van de heilige Geest. De tekst van Paulus laat de
35 Intro,1 | De tekst van Paulus laat de volheid zien van het geheim
36 Intro,1 | zien van het geheim van de verlossende menswording.~
37 I,2 | beschrijving gegeven van de omstandigheden rond Jezus'
38 I,2 | ging hij van Galilea uit de stad Nazaret, naar de stad
39 I,2 | uit de stad Nazaret, naar de stad van David, Betlehem
40 I,2 | voor hen geen plaats was in de herberg" (2, 1.3-7).~Aldus
41 I,2 | Aldus ging in vervulling wat de engel Gabriël had voorzegd
42 I,2 | Gabriël had voorzegd bij de aankondiging, toen hij tot
43 I,2 | aankondiging, toen hij tot de maagd van Nazaret deze woorden
44 I,2 | Verheug u, Begenadigde, de Heer is met u". (1,28) Deze
45 I,2 | schrikken en daarom had de boodschapper van God er
46 I,2 | wereld brengen, die gij de naam Jezus moet geven. Hij
47 I,2 | zal groot zijn en Zoon van de Allerhoogste genoemd worden ...
48 I,2 | Allerhoogste genoemd worden ... De heilige Geest zal over u
49 I,2 | Geest zal over u komen en de kracht van de Allerhoogste
50 I,2 | u komen en de kracht van de Allerhoogste zal u overschaduwen;
51 I,2 | Het antwoord van Maria op de boodschap van de engel was
52 I,2 | Maria op de boodschap van de engel was duidelijk: "Zie
53 I,2 | engel was duidelijk: "Zie de dienstmaagd des Heren; mij
54 I,2 | uw woord" (1,38). In heel de geschiedenis van de mensheid
55 I,2 | heel de geschiedenis van de mensheid heeft nooit zoveel
56 I,2 | nooit zoveel afgehangen van de instemming van een mens,
57 I,3 | 3. In de proloog van zijn evangelie
58 I,3 | Johannes in één zin heel de diepte samen van het geheim
59 I,3 | samen van het geheim van de menswording. Hij schrijft: "
60 I,3 | zulk een heerlijkheid als de Eniggeborene van de Vader
61 I,3 | als de Eniggeborene van de Vader ontvangt, vol genade
62 I,3 | en waarheid" (1, 14). In de ontvangenis en geboorte
63 I,3 | geboorte had voor Johannes de menswording plaats van het
64 I,3 | Woord, een van wezen met de Vader. De evangelist spreekt
65 I,3 | van wezen met de Vader. De evangelist spreekt over
66 I,3 | leven dat het licht was van de mensen (vgl. 1,1-5). Over
67 I,3 | mensen (vgl. 1,1-5). Over de eengeboren Zoon, God uit
68 I,3 | Zoon, God uit God, schrijft de apostel Paulus dat Hij was "
69 I,3 | apostel Paulus dat Hij was "de eerstgeborene van heel de
70 I,3 | de eerstgeborene van heel de schepping" (Kol 1,15). God
71 I,3 | Kol 1,15). God schept de wereld door het Woord. Het
72 I,3 | het Woord. Het Woord is de eeuwige Wijsheid, de Gedachte
73 I,3 | is de eeuwige Wijsheid, de Gedachte en het Wezensbeeld
74 I,3 | het Wezensbeeld van God, "de afstraling van Gods heerlijkheid
75 I,3 | van eeuwigheid bemind door de Vader, God uit God en Licht
76 I,3 | van alles wat door God in de tijd geschapen is.~Het feit
77 I,3 | geschapen is.~Het feit dat in de volheid der tijden het eeuwige
78 I,3 | Dankzij het Woord verschijnt de geschapen wereld als 'kosmos',
79 I,3 | te worden, dat het Woord de kosmische ordening van de
80 I,3 | de kosmische ordening van de schepping hernieuwt. De
81 I,3 | de schepping hernieuwt. De brief aan de Efeziërs spreekt
82 I,3 | hernieuwt. De brief aan de Efeziërs spreekt over het
83 I,3 | ter verwezenlijking van de volheid der tijden: het
84 I,3 | brengen, alle wezens in de hemel en alle wezens op
85 I,4 | 4. Christus, de Verlosser van de wereld,
86 I,4 | Christus, de Verlosser van de wereld, is de enige middelaar
87 I,4 | Verlosser van de wereld, is de enige middelaar tussen God
88 I,4 | middelaar tussen God en de mensen, en er is geen andere
89 I,4 | is geen andere naam onder de hemel waardoor wij gered
90 I,4 | worden (vgl. Hnd 4,12). In de brief aan de Efeziërs lezen
91 I,4 | Hnd 4,12). In de brief aan de Efeziërs lezen we: Ò" Hem
92 I,4 | lezen we: Ò" Hem hebben wij de verlossing door zijn bloed,
93 I,4 | verlossing door zijn bloed, de vergeving van de zonden,
94 I,4 | bloed, de vergeving van de zonden, dankzij de rijkdom
95 I,4 | vergeving van de zonden, dankzij de rijkdom van zijn genade.
96 I,4 | raadsbesluit doen kennen, de beslissing die Hij in Christus
97 I,4 | ter verwezenlijking van de volheid der tijden" (1,7-
98 I,4 | tijden" (1,7-10). Christus, de Zoon die een van wezen is
99 I,4 | die een van wezen is met de Vader, openbaart dus Gods
100 I,4 | openbaart dus Gods bedoeling met de gehele schepping, en met
101 I,4 | gehele schepping, en met de mens in het bijzonder. Zoals
102 I,4 | indrukwekkend formuleert: "Hij maakt de mens voor zichzelf duidelijk
103 I,4 | hem die roeping zien door de openbaring van het geheim
104 I,4 | openbaring van het geheim van de Vader en van zijn liefde.
105 I,4 | zijn liefde. Als beeld van de onzichtbare God is Christus
106 I,4 | onzichtbare God is Christus de volmaakte mens die aan de
107 I,4 | de volmaakte mens die aan de kinderen van Adam de door
108 I,4 | aan de kinderen van Adam de door de zonde misvormde
109 I,4 | kinderen van Adam de door de zonde misvormde gelijkenis
110 I,4 | en die opgenomen was in de goddelijke Persoon van het
111 I,4 | Persoon van het Woord, wordt de natuur waarin alle mensen
112 I,4 | Door zijn menswording heeft de Zoon van God zich in zekere
113 I,4 | Hij liefgehad. Geboren uit de maagd Maria, is Hij werkelijk
114 I,4 | is Hij werkelijk één van de onzen geworden, in alles
115 I,4 | aan ons gelijk, behalve in de zonde." 3~
116 I,4(2) | Pastorale Constitutie over de kerk in de wereld van deze
117 I,4(2) | Constitutie over de kerk in de wereld van deze tijd, Gaudium
118 I,5 | 5. Het feit dat de Zoon van God "één van de
119 I,5 | de Zoon van God "één van de onzen" is geworden, heeft
120 I,5 | dus niet verwonderlijk dat de profane geschiedschrijving,
121 I,5 | bijvoorbeeld genoemd in de Joodse Oudheden, een door
122 I,5 | Joodse Oudheden, een door de geschiedschrijver Flavius
123 I,5 | geschreven werk, 4 en vooral in de Annalen van Tacitus die
124 I,5 | geschreven. Bij het verslag over de brand van Rome in 64, waarvan
125 I,5 | waarvan Nero valselijk de christenen de schuld gaf,
126 I,5 | valselijk de christenen de schuld gaf, wordt door de
127 I,5 | de schuld gaf, wordt door de schrijver uitdrukkelijk
128 I,5 | ter dood gebracht door de landvoogd Pontius Pilatus
129 I,5(4) | Vgl. Ant, Iud. 20,200, en de welbekende en veel besproken
130 I,5 | keizer Claudius mee dat de joden uit Rome werden verdreven
131 I,5 | onlusten veroorzaakten". 6 De meeste geleerden blijken
132 I,5 | Jezus Christus, die bij de joodse kringen in Rome een
133 I,5 | belangrijk getuigenis, waaruit de snelle verspreiding van
134 I,5 | het getuigenis van Plinius de Jongere, gouverneur van
135 I,5 | op een vaste dag en voor de dageraad, om in beurtzang
136 I,5 | als tot een God". 7~Maar de grote gebeurtenis, waaraan
137 I,5 | grote gebeurtenis, waaraan de niet-christelijke schrijvers
138 I,5 | volle licht geplaatst door de geschriften van het Nieuwe
139 I,5 | heelal, is ook Heer van de geschiedenis, waarvan Hij
140 I,5 | geschiedenis, waarvan Hij de "Alfa en Omega" (Apk 1,8;
141 I,5 | 21, 6) is. In Hem heeft de Vader het laatste woord
142 I,5 | laatste woord gesproken over de mens en zijn geschiedenis.
143 I,5 | wordt kernachtig gezegd in de brief aan de Hebreeën: "
144 I,5 | kernachtig gezegd in de brief aan de Hebreeën: "Nadat God eertijds
145 I,5 | vaderen gesproken had door de profeten, heeft Hij nu,
146 I,5 | tot ons gesproken door de Zoon" (1,1-2).~
147 I,6 | geboren als vervulling van de belofte die aan Abraham
148 I,6 | Abraham was gedaan en waaraan de profeten voortdurend hadden
149 I,6 | is wezenlijk gericht op de voorbereiding en aankondiging
150 I,6 | voorbereiding en aankondiging van de komst van Christus, de Verlosser
151 I,6 | van de komst van Christus, de Verlosser van het heelal,
152 I,6 | van zijn messiaans Rijk. De boeken van het Oude Verbond
153 I,6 | het Oude Verbond zijn zo de blijvende getuigenissen
154 I,6 | in naam van God' zoals de profeten, maar Hij is God
155 I,6 | tussen het christendom en de andere godsdiensten, waarin
156 I,6 | het begin het zoeken van de mens naar God vorm heeft
157 I,6 | uitgangspunt in het christendom is de menswording van het Woord.
158 I,6 | Hier zoekt niet alleen de mens naar God, maar God
159 I,6 | over zichzelf spreken tot de mens en hem de weg tonen
160 I,6 | spreken tot de mens en hem de weg tonen waarlangs hij
161 I,6 | kan bereiken. Dat is wat de proloog van het Johannesevangelie
162 I,6 | Niemand heeft ooit God gezien; de Eniggeboren Zoon, die in
163 I,6 | Eniggeboren Zoon, die in de schoot des Vaders is, Hij
164 I,6 | mensgeworden Woord is dus de vervulling van het verlangen
165 I,6 | bij alle godsdiensten van de mensheid leeft: die vervulling
166 I,6 | een antwoord in geloof op de zich openbarende God: een
167 I,6 | God: een antwoord waarbij de mens tot God spreekt als
168 I,6 | Woord is, één in wezen met de Vader, in wie God tot iedere
169 I,6 | spreekt en in wie iedere mens de mogelijkheid heeft God antwoord
170 I,6 | nog, in deze Mens geeft de hele schepping antwoord
171 I,6 | opgenomen en teruggegeven aan de Schepper, van wie ze zijn
172 I,6 | Op die wijze is Christus de vervulling van het verlangen
173 I,6 | over zichzelf spreekt tot de mensheid, spreken heel de
174 I,6 | de mensheid, spreken heel de mensheid en heel de schepping
175 I,6 | heel de mensheid en heel de schepping in Christus over
176 I,6 | Ef 1,10); tegelijk is Hij de voltooiing van alle dingen
177 I,6 | God, een voltooiing die de glorie is van God. De godsdienst
178 I,6 | die de glorie is van God. De godsdienst die op Jezus
179 I,6 | Christus is gefundeerd is de religie van de heerlijkheid;
180 I,6 | gefundeerd is de religie van de heerlijkheid; het is een
181 I,6 | heerlijkheid; het is een bestaan in de nieuwheid van leven tot
182 I,6 | heerlijkheid (vgl. Ef 1,12). Heel de schepping is in werkelijkheid
183 I,6 | zijn heerlijkheid. Met name de mens (vivens homo) is een
184 I,6 | geroepen om te leven uit de volheid van het leven in
185 I,6(8) | Dogmatische Constitutie over de goddelijke openbaring, Dei
186 I,7 | spreekt God niet alleen tot de mens, maar zoekt Hij hem
187 I,7 | maar zoekt Hij hem op. De menswording van Gods Zoon
188 I,7 | getuigt daarvan: God zoekt de mens. Dit zoeken bedoelt
189 I,7 | zijn hoogtepunt bereikt in de menswording van het Woord.
190 I,7 | Als God op zoek gaat naar de mens, die naar zijn beeld
191 I,7 | Hij dat omdat Hij hem van de eeuwigheid af in het Woord
192 I,7 | in Christus verheffen tot de waardigheid van aangenomen
193 I,7 | aangenomen kind. God zoekt dus de mens, die anders dan welk
194 I,7 | zijn bijzonder eigendom is. De mens hoort aan God toe op
195 I,7 | uitverkiezing uit liefde: God zoekt de mens, daartoe bewogen door
196 I,7 | Waarom zoekt Hij hem? Omdat de mens zich van Hem heeft
197 I,7 | zoals Adam verbergend tussen de bomen van het aards paradijs (
198 I,7 | paradijs (vgl. Gn 3,8-10). De mens heeft zich op een dwaalspoor
199 I,7 | dwaalspoor laten leiden door de vijand van God (vgl. Gn
200 I,7 | kwaad zou kunnen kennen en de wereld zou kunnen inrichten
201 I,7 | wil (vgl. Gn 3,5). Als God de mens door de Zoon zoekt,
202 I,7 | 5). Als God de mens door de Zoon zoekt, wil Hij hem
203 I,7 | Hij hem ertoe brengen om de wegen van het kwaad te verlaten
204 I,7 | inzicht brengen dat hij op de verkeerde weg is; het betekent
205 I,7 | overwinnen dat overal in de mensengeschiedenis heerst.
206 I,7 | kwaad overwinnen: dat is de betekenis van de Verlossing.
207 I,7 | dat is de betekenis van de Verlossing. Deze geschiedt
208 I,7 | offer van Christus, waardoor de mens de zondeschuld aflost
209 I,7 | Christus, waardoor de mens de zondeschuld aflost en met
210 I,7 | met God wordt verzoend. De Zoon van God is juist daartoe
211 I,7 | een ziel aan te nemen in de schoot van de Maagd: om
212 I,7 | te nemen in de schoot van de Maagd: om zelf het volmaakte
213 I,7 | van verlossing te worden. De godsdienst van de menswording
214 I,7 | worden. De godsdienst van de menswording is de godsdienst
215 I,7 | godsdienst van de menswording is de godsdienst van de Verlossing
216 I,7 | menswording is de godsdienst van de Verlossing van de wereld
217 I,7 | godsdienst van de Verlossing van de wereld door het offer van
218 I,7 | offer van Christus, dat de overwinning van het kwaad,
219 I,7 | overwinning van het kwaad, van de zonde, ja, van de dood zelf
220 I,7 | kwaad, van de zonde, ja, van de dood zelf inhoudt. Door
221 I,7 | dood zelf inhoudt. Door de dood op het kruis te aanvaarden,
222 I,7 | het, want Hij verrijst, en de dood heeft niet langer macht
223 I,8 | 8. De godsdienst die in het geheim
224 I,8 | godsdienst die in het geheim van de verlossende menswording
225 I,8 | haar oorsprong heeft is de godsdienst waardoor men '
226 I,8 | Paulus spreekt daarover in de passage die in de aanhef
227 I,8 | daarover in de passage die in de aanhef werd geciteerd: "
228 I,8 | werd geciteerd: "God heeft de Geest van zijn Zoon in ons
229 I,8 | Abba, Vader!" (Gal 4,6). De mens verheft zijn stem zoals
230 I,8 | Heb 5,7) tot God richtte: de mens roept tot God zoals
231 I,8 | aan zijn zoonschap door de heilige Geest deel heeft.
232 I,8 | heilige Geest deel heeft. De heilige Geest die de Vader
233 I,8 | heeft. De heilige Geest die de Vader in naam van de Zoon
234 I,8 | die de Vader in naam van de Zoon gezonden heeft, bewerkt
235 I,8 | gezonden heeft, bewerkt dat de mens deel heeft aan het
236 I,8 | van God. Hij bewerkt dat de mens ook, zoals Christus,
237 I,8 | erfgenaam van al hetgeen de Zoon toebehoort (vgl. Gal
238 I,8 | Gal 4,7). Hierin bestaat de godsdienst van 'het verkeren
239 I,8 | van God', dat begint met de menswording van Gods Zoon.
240 I,8 | menswording van Gods Zoon. De heilige Geest die de diepste
241 I,8 | Zoon. De heilige Geest die de diepste geheimen van God
242 II,9 | 9. Wanneer Paulus over de geboorte van Gods Zoon spreekt,
243 II,9 | plaatst hij dit gebeuren in de "volheid van de tijd" (vgl.
244 II,9 | gebeuren in de "volheid van de tijd" (vgl. Gal 4,4). Inderdaad
245 II,9 | is juist doordat God door de menswording in de geschiedenis
246 II,9 | God door de menswording in de geschiedenis der mensen
247 II,9 | mensen is binnengetreden, de tijd vervuld. De eeuwigheid
248 II,9 | binnengetreden, de tijd vervuld. De eeuwigheid is in de tijd
249 II,9 | vervuld. De eeuwigheid is in de tijd binnengegaan: is er
250 II,9 | kosmische kringlopen, waarbij de geschiedenis van het universum
251 II,9 | universum en met name van de mens zich voortdurend zou
252 II,9 | voortdurend zou herhalen. De mens keert terug naar de
253 II,9 | De mens keert terug naar de grond waaruit hij is genomen (
254 II,9 | duidelijk gegeven. Maar er is in de mens een onweerstaanbaar
255 II,9 | men zich een voortleven na de dood voorstellen? Sommigen
256 II,9 | of nederiger vorm tot hij de volkomen loutering heeft
257 II,9 | is, blijkt ondermeer dat de mens niet wil berusten in
258 II,9 | onherroepelijk karakter van de dood. Hij is overtuigd van
259 II,9 | en onsterfelijke natuur.~De christelijke openbaring
260 II,9 | een zelfontplooiing die de mens in de loop van één
261 II,9 | zelfontplooiing die de mens in de loop van één enkel aards
262 II,9 | bestaan dient na te streven. De ontplooiing van zijn lotsbestemming
263 II,9 | lotsbestemming voltrekt hij door de belangeloze gave van zichzelf,
264 II,9 | een gave die alleen in de ontmoeting met God mogelijk
265 II,9 | mogelijk is. Het is in God dat de mens volledig wordt tot
266 II,9 | wordt tot wat hij is: dat is de door Christus geopenbaarde
267 II,9 | Christus geopenbaarde waarheid. De mens ontplooit zich in God,
268 II,9 | Gods komst op aarde heeft de tijd der mensen, die bij
269 II,9 | tijd der mensen, die bij de schepping begon, zijn volheid
270 II,9 | volheid bereikt. Immers: 'de volheid van de tijd', dat
271 II,9 | Immers: 'de volheid van de tijd', dat is alleen de
272 II,9 | de tijd', dat is alleen de eeuwigheid, sterker nog
273 II,9 | eeuwigheid, sterker nog de Eeuwige, dat wil zeggen
274 II,9 | dat wil zeggen God. In de 'volheid van de tijd' binnengaan
275 II,9 | God. In de 'volheid van de tijd' binnengaan betekent
276 II,9 | betekent dus het einde van de tijd bereiken en de grenzen
277 II,9 | van de tijd bereiken en de grenzen ervan overschrijden
278 II,9 | vervulling te vinden in de eeuwigheid van God.~
279 II,10 | In het christendom heeft de tijd een fundamentele betekenis.
280 II,10 | fundamentele betekenis. In de dimensie van de tijd werd
281 II,10 | betekenis. In de dimensie van de tijd werd de wereld geschapen,
282 II,10 | dimensie van de tijd werd de wereld geschapen, in hem
283 II,10 | geschapen, in hem ontvouwt zich de heilsgeschiedenis, waarvan
284 II,10 | waarvan het hoogtepunt de 'volheid van de tijd' van
285 II,10 | hoogtepunt de 'volheid van de tijd' van de menswording
286 II,10 | volheid van de tijd' van de menswording is, en die haar
287 II,10 | die haar doel bereikt in de glorievolle terugkeer van
288 II,10 | mensgeworden Woord, wordt de tijd een dimensie van God,
289 II,10 | zichzelf eeuwig is. Met de komst van Christus breken
290 II,10 | komst van Christus breken de "laatste dagen" aan (vgl.
291 II,10 | met zijn komst begint de tijd van de kerk die duren
292 II,10 | komst begint de tijd van de kerk die duren zal tot aan
293 II,10 | aan zijn wederkomst.~Uit de relatie van God met de tijd
294 II,10 | Uit de relatie van God met de tijd vloeit de plicht voort,
295 II,10 | van God met de tijd vloeit de plicht voort, de tijd te
296 II,10 | vloeit de plicht voort, de tijd te heiligen. Dat gebeurt
297 II,10 | zoals dat reeds gebeurde in de godsdienst van het Oude
298 II,10 | het christendom. Wanneer de voorganger in de liturgie
299 II,10 | Wanneer de voorganger in de liturgie van de vigilie
300 II,10 | voorganger in de liturgie van de vigilie van Pasen de kaars,
301 II,10 | van de vigilie van Pasen de kaars, het symbool van de
302 II,10 | de kaars, het symbool van de verrezen Christus, zegent,
303 II,10 | die woorden grift hij op de kaars de cijfers van het
304 II,10 | woorden grift hij op de kaars de cijfers van het betreffende
305 II,10 | van het betreffende jaar. De betekenis van deze rite
306 II,10 | uitdrukking dat Christus de Heer van de tijd is, het
307 II,10 | dat Christus de Heer van de tijd is, het begin en de
308 II,10 | de tijd is, het begin en de voltooiing ervan; ieder
309 II,10 | Verrijzenis, en wordt zo deel van de 'volheid van de tijd'. Daarom
310 II,10 | deel van de 'volheid van de tijd'. Daarom ook beleeft
311 II,10 | Daarom ook beleeft en viert de kerk de liturgie binnen
312 II,10 | beleeft en viert de kerk de liturgie binnen de loop
313 II,10 | kerk de liturgie binnen de loop van een jaar. Het zonnejaar
314 II,10 | tegenwoordig stelt, beginnend bij de eerste zondag van de advent
315 II,10 | bij de eerste zondag van de advent en besloten met het
316 II,10 | Heer van het heelal en van de geschiedenis. Iedere zondag
317 II,10 | Iedere zondag herinnert aan de dag waarop de Heer is verrezen.~
318 II,10 | herinnert aan de dag waarop de Heer is verrezen.~
319 II,11 | gemakkelijk het gebruik van de jubileumjaren begrijpen
320 II,11 | Testament begon en doorgaat in de geschiedenis van de kerk.
321 II,11 | doorgaat in de geschiedenis van de kerk. Toen Jezus van Nazaret
322 II,11 | Nazaret op een dag naar de synagoge van zijn stad was
323 II,11 | 4,16-30). Men reikte Hem de boekrol van de profeet Jesaja
324 II,11 | reikte Hem de boekrol van de profeet Jesaja toe, en daaruit
325 II,11 | toe, en daaruit las Hij de volgende passage (61,1-2)
326 II,11 | passage (61,1-2) voor: "De geest van Jahwe, mijn Heer,
327 II,11 | Hij heeft mij gezonden om de armen het blijde nieuws
328 II,11 | hart gebroken is, om aan de gevangenen vrijlating te
329 II,11 | vrijlating te melden, en aan de geboeiden de terugkeer naar
330 II,11 | melden, en aan de geboeiden de terugkeer naar het licht;
331 II,11 | te melden." (Je, 61,1-2)~De profeet sprak over de Messias.
332 II,11 | 2)~De profeet sprak over de Messias. Jezus voegde eraan
333 II,11 | te verstaan dat Hijzelf de beloofde Messias was en
334 II,11 | beloofde Messias was en dat de 'tijd' waarnaar zo lang
335 II,11 | aangebroken: gekomen was de dag van het heil, de 'volheid
336 II,11 | was de dag van het heil, de 'volheid van de tijd'. Alle
337 II,11 | het heil, de 'volheid van de tijd'. Alle jubileumjaren
338 II,11 | deze 'tijd' en betreffen de messiaanse zending van Christus,
339 II,11 | die kwam als 'gezalfd door de heilige Geest', en 'gezonden
340 II,11 | Geest', en 'gezonden door de Vader'. Hij verkondigt het
341 II,11 | verkondigt het blijde nieuws aan de armen. Hij brengt vrijheid
342 II,11 | vrijheid kennen, Hij bevrijdt de onderdrukten, Hij geeft
343 II,11 | onderdrukten, Hij geeft aan de blinden het licht terug
344 II,11 | Hij 'een genadejaar van de Heer' tot stand; Hij kondigt
345 II,11 | door zijn woord maar in de eerste plaats door zijn
346 II,11 | zeggen 'een genadejaar van de Heer', is het kenmerk van
347 II,12 | 12. De woorden en daden van Jezus
348 II,12 | Jezus vormen op die wijze de vervulling van heel de traditie
349 II,12 | wijze de vervulling van heel de traditie der jubileumjaren
350 II,12 | God was gewijd. Volgens de wet van Mozes was ieder
351 II,12 | sabbatjaar', waarin men de grond liet rusten en de
352 II,12 | de grond liet rusten en de slaven vrijliet. De plicht,
353 II,12 | rusten en de slaven vrijliet. De plicht, slaven vrij te laten,
354 II,12 | in detail geregeld door de voorschriften uit de boeken
355 II,12 | door de voorschriften uit de boeken Exodus (23,10-11),
356 II,12 | met andere woorden in heel de bijbelse wetgeving, die
357 II,12 | Voor het sabbatjaar voorzag de Wet niet alleen in de vrijlating
358 II,12 | voorzag de Wet niet alleen in de vrijlating van de slaven,
359 II,12 | alleen in de vrijlating van de slaven, maar ook in de kwijtschelding
360 II,12 | van de slaven, maar ook in de kwijtschelding van alle
361 II,12 | jubeljaar' ('jobeljaar') eens in de vijftig jaar. Maar in het
362 II,12 | in het jubeljaar werden de gebruiken van het sabbatjaar
363 II,12 | familie" (25,10). Een van de meest opmerkelijke gevolgen
364 II,12 | gevolgen van het jubeljaar was de algemene 'emancipatie' van
365 II,12 | gelegenheid kreeg iedere Israëliet de grond van zijn voorouders
366 II,12 | slaaf was geworden. Hij kon de grond niet voorgoed kwijtraken,
367 II,12 | deze behoorde aan God, en de Israëlieten konden niet
368 II,12 | verkeren, want God had hen bij de bevrijding uit de slavernij
369 II,12 | hen bij de bevrijding uit de slavernij in Egypte voor
370 II,13 | 13. De voorschriften van het jubeljaar
371 II,13 | werkelijk gebeurde. Maar van de andere kant werden ze tot
372 II,13 | tot een prophetia futuri, de aankondiging van de ware
373 II,13 | futuri, de aankondiging van de ware bevrijding die de komende
374 II,13 | van de ware bevrijding die de komende Messias zou bewerken.
375 II,13 | begon zich op basis van de juridische normen die in
376 II,13 | komen. Het jubeljaar moest de gelijkheid onder alle kinderen
377 II,13 | herinnerde het jubeljaar de rijken eraan dat de tijd
378 II,13 | jubeljaar de rijken eraan dat de tijd zou komen waarop de
379 II,13 | de tijd zou komen waarop de Israëlitische slaven weer
380 II,13 | zouden kunnen opeisen. Op de door de Wet voorgeschreven
381 II,13 | kunnen opeisen. Op de door de Wet voorgeschreven tijd
382 II,13 | Gerechtigheid betekende volgens de Wet van Israël vooral het
383 II,13 | vooral het beschermen van de zwakken, en een koning moest
384 II,13 | daarin uitmunten, zoals de psalmist zegt: "Redt hij
385 II,13 | psalmist zegt: "Redt hij niet de nooddruftige die jammert,
386 II,13 | nooddruftige die jammert, de arme van helper verstoken?
387 II,13 | theologische grondslag en hangt in de eerste plaats samen met
388 II,13 | eerste plaats samen met de theologie van de schepping
389 II,13 | samen met de theologie van de schepping en van de goddelijke
390 II,13 | van de schepping en van de goddelijke Voorzienigheid.
391 II,13 | altum' toe, dat wil zeggen de heerschappij over heel de
392 II,13 | de heerschappij over heel de schepping en over de aarde
393 II,13 | heel de schepping en over de aarde in het bijzonder (
394 II,13 | God in zijn Voorzienigheid de aarde aan de mensen had
395 II,13 | Voorzienigheid de aarde aan de mensen had geschonken betekende
396 II,13 | gegeven. Daarom moesten de rijkdommen van de schepping
397 II,13 | moesten de rijkdommen van de schepping beschouwd worden
398 II,13 | gemeenschappelijk bezit van de hele mensheid. Degene die
399 II,13 | in werkelijkheid alleen de beheerder ervan, anders
400 II,13 | verplicht was in naam van God, de enige ware eigenaar, te
401 II,13 | handelen. God wil immers dat de geschapen goederen aan allen
402 II,13 | rechtvaardigheid te herstellen. In de traditie van het jubeljaar
403 II,13 | jubeljaar ligt zo een van de wortels van de kerkelijke
404 II,13 | zo een van de wortels van de kerkelijke sociale leer,
405 II,13 | doorgemaakt, met name sinds de encycliek Rerum novarum.~
406 II,14 | genadejaar afkondigen van de Heer". Voor de kerk is het
407 II,14 | afkondigen van de Heer". Voor de kerk is het jubileumjaar
408 II,14 | kwijtschelding van zonden en van de straffen voor die zonden,
409 II,14 | buiten-sacramentele boetedoening. De traditie van de jubileumjaren
410 II,14 | boetedoening. De traditie van de jubileumjaren is verbonden
411 II,14 | verlenen van aflaten. Naast de jubileumjaren die om de
412 II,14 | de jubileumjaren die om de honderd, vijftig en vijfentwintig
413 II,14 | herinneren aan het geheim van de menswording, gedenken andere
414 II,14 | deze gelegenheden kondigt de kerk een 'genadejaar van
415 II,14 | kerk een 'genadejaar van de Heer' af, en zorgt ervoor
416 II,14 | goede komt. Daarom worden de jubileumjaren niet alleen '
417 II,14 | laatste gebeurde volgens de traditie in het jaar dat
418 II,14 | traditie in het jaar dat op de viering in Urbe volgde.~
419 II,15 | gewoonlijk gebonden aan de geboortedatum, maar ook
420 II,15 | het doopsel, het vormsel, de eerste communie, de wijding
421 II,15 | vormsel, de eerste communie, de wijding tot priester of
422 II,15 | op profaan terrein, maar de christenen geven er altijd
423 II,15 | genadejaar voor degene die de genoemde sacramenten heeft
424 II,15 | Wat wij hebben gezegd over de jubilea van de individu,
425 II,15 | gezegd over de jubilea van de individu, kan ook worden
426 II,15 | gemeente werd gesticht. In de kerk vieren we de jubilea
427 II,15 | gesticht. In de kerk vieren we de jubilea van parochies en
428 II,15 | het tweeduizendste jaar na de geboorte van Christus (waarbij
429 II,15 | van Christus (waarbij men de kwestie van de precieze
430 II,15 | waarbij men de kwestie van de precieze tijdsbepaling buiten
431 II,15 | jubileum, niet alleen voor de christenen maar, gezien
432 II,15 | christenen maar, gezien de prominente rol van het christendom
433 II,15 | rol van het christendom in de loop van deze twee millennia,
434 II,15 | millennia, indirect ook voor de hele mensheid. Het is opmerkelijk
435 II,15 | Het is opmerkelijk dat de tijdrekening bijna overal
436 II,15 | jaar van Christus' komst in de wereld: deze komst wordt
437 II,15 | ook het uitgangspunt van de jaartelling die tegenwoordig
438 II,15 | ook dat niet een teken van de ongeëvenaarde invloed die
439 II,15 | ongeëvenaarde invloed die de geboorte van Jezus van Nazaret
440 II,15 | van Jezus van Nazaret op de hele geschiedenis heeft
441 II,16 | inwendige blijdschap, maar de blijdschap die ook naar
442 II,16 | buiten zichtbaar wordt, want de komst van God is een ook
443 II,16 | Daarmee wordt zichtbaar dat de kerk zich verheugt over
444 II,16 | tot blijdschap en tracht de nodige voorwaarden te scheppen
445 II,16 | iedereen deel heeft aan de kracht van het heil. Vandaar
446 II,16 | grote Jubileumjaar.~Wat de inhoud betreft zal het grote
447 II,16 | dan welk jaar ook. Want de kerk respecteert de maten
448 II,16 | Want de kerk respecteert de maten van de tijd: uren,
449 II,16 | respecteert de maten van de tijd: uren, dagen, jaren,
450 II,16 | die geest verblijdt zich de kerk, brengt ze dank, vraagt
451 II,16 | richt zij smeekbeden tot de Heer van de geschiedenis
452 II,16 | smeekbeden tot de Heer van de geschiedenis en van het
453 II,16 | uitzonderlijke moment, aan de vooravond van een nieuw
454 II,16 | nieuw millennium, is een van de vurigste gebeden van de
455 II,16 | de vurigste gebeden van de kerk tot de Heer dat onder
456 II,16 | gebeden van de kerk tot de Heer dat onder alle christenen
457 II,16 | onder alle christenen van de verschillende belijdenissen
458 II,16 | verschillende belijdenissen de eenheid mag groeien en tot
459 II,16 | vruchtbare samenwerking op de vele terreinen die ons verbinden;
460 II,16 | als men, met respect voor de programmaÕs van de verschillende
461 II,16 | voor de programmaÕs van de verschillende kerken en
462 II,16 | die wijze zou dit jaar aan de wereld nog overtuigender
463 II,16 | spoedig als maar mogelijk is de volledige eenheid tot stand
464 III,17 | 17. In de geschiedenis van de kerk
465 III,17 | In de geschiedenis van de kerk wordt ieder jubileum
466 III,17 | wordt ieder jubileum door de goddelijke Voorzienigheid
467 III,17 | verantwoordelijkheid naar alles wat zich in de geschiedenis van de mensheid
468 III,17 | zich in de geschiedenis van de mensheid heeft afgespeeld
469 III,17 | geboorte, en vooral naar de gebeurtenissen tussen de
470 III,17 | de gebeurtenissen tussen de jaren 1000 en 2000. Maar
471 III,17 | bijzondere wijze kijken wij met de ogen van het geloof naar
472 III,17 | alleen een getuigenis is van de geschiedenis van de mens,
473 III,17 | van de geschiedenis van de mens, maar ook van Gods
474 III,17 | van Gods ingrijpen in wat de mensen meemaken.~
475 III,18 | gebeurtenis was waarmee de kerk de meer onmiddellijke
476 III,18 | gebeurtenis was waarmee de kerk de meer onmiddellijke voorbereiding
477 III,18 | het een Concilie was als de daaraan voorafgaande was
478 III,18 | tegelijk open stond naar de wereld. Deze openheid was
479 III,18 | wereld. Deze openheid was de evangelische reactie op
480 III,18 | evangelische reactie op de moderne ontwikkelingen in
481 III,18 | moderne ontwikkelingen in de wereld, met de geweldige
482 III,18 | ontwikkelingen in de wereld, met de geweldige beroeringen die
483 III,18 | geweldige beroeringen die de twintigste eeuw kenmerkten,
484 III,18 | kenmerkten, een eeuw die de beproevingen moest doormaken
485 III,18 | beproevingen moest doormaken van de Eerste en Tweede Wereldoorlog,
486 III,18 | Tweede Wereldoorlog, van de ervaringen van de concentratiekampen
487 III,18 | Wereldoorlog, van de ervaringen van de concentratiekampen en een
488 III,18 | tonen overduidelijk aan dat de wereld meer dan ooit behoefte
489 III,18 | tijdperk in het leven van de kerk heeft ingeluid. Dat
490 III,18 | worden voorbij gegaan dat de Concilievergadering in ruime
491 III,18 | gebruik heeft gemaakt van de ervaringen en het denken
492 III,18 | ervaringen en het denken uit de eraan voorafgaande tijd,
493 III,18 | gedachtengoed van Pius XII. In de geschiedenis van de kerk
494 III,18 | In de geschiedenis van de kerk zijn het 'oude' en
495 III,18 | Concilie en met hetgeen de pausen hebben gedaan die
496 III,18 | pausen hebben gedaan die bij de Concilievergadering betrokken
497 III,18 | Johannes Paulus I, en tenslotte de huidige paus. Het werk dat
498 III,18 | leerambt evenzeer als in de pastorale activiteit van
499 III,18 | duidelijke bijdrage betekend aan de voorbereiding op een nieuwe
500 III,18 | zal moeten worden, indien de christenen zich willen laten
1-500 | 501-1000 | 1001-1491 |