Chapter, Paragraph
1 Intro,1| gekomen was, heeft God zijn Zoon gezonden, geboren uit een
2 Intro,1| menswording van het Woord, de Zoon, één in wezen met de Vader,
3 Intro,1| deze passage op dat Gods Zoon geboren is uit een vrouw,
4 Intro,1| heeft de Geest van zijn Zoon in ons hart gezonden, die
5 Intro,1| dus niet langer slaaf maar zoon; en als je zoon bent, dan
6 Intro,1| slaaf maar zoon; en als je zoon bent, dan ook erfgenaam,
7 Intro,1| voortzetting van de zending van de Zoon door de zending van de heilige
8 Intro,1| De menswording van Gods Zoon, zijn ontvangenis, zijn
9 I,2 | worden; zij bracht haar zoon ter wereld, haar eerstgeborene,
10 I,2 | zult zwanger worden en een zoon ter wereld brengen, die
11 I,2 | geven. Hij zal groot zijn en Zoon van de Allerhoogste genoemd
12 I,2 | gebracht heilig genoemd worden, Zoon van God" (1,30-32.35). Het
13 I,3 | 1-5). Over de eengeboren Zoon, God uit God, schrijft de
14 I,4 | 1,7-10). Christus, de Zoon die een van wezen is met
15 I,4 | zijn menswording heeft de Zoon van God zich in zekere zin
16 I,5 | 5. Het feit dat de Zoon van God "één van de onzen"
17 I,5 | tot ons gesproken door de Zoon" (1,1-2).~
18 I,6 | God gezien; de Eniggeboren Zoon, die in de schoot des Vaders
19 I,7 | De menswording van Gods Zoon getuigt daarvan: God zoekt
20 I,7 | Als God de mens door de Zoon zoekt, wil Hij hem ertoe
21 I,7 | met God wordt verzoend. De Zoon van God is juist daartoe
22 I,8 | heeft de Geest van zijn Zoon in ons hart gezonden, die
23 I,8 | de Vader in naam van de Zoon gezonden heeft, bewerkt
24 I,8 | mens ook, zoals Christus, zoon is en erfgenaam van al hetgeen
25 I,8 | erfgenaam van al hetgeen de Zoon toebehoort (vgl. Gal 4,7).
26 I,8 | de menswording van Gods Zoon. De heilige Geest die de
27 II,9 | over de geboorte van Gods Zoon spreekt, plaatst hij dit
28 II,9 | gekomen door zijn eeuwige Zoon. Dankzij Gods komst op aarde
29 II,10 | glorievolle terugkeer van Gods Zoon aan het einde der tijden.
30 III,26 | tweeduizend jaar geleden is Gods Zoon uit kracht van de heilige
31 III,28 | dient te worden. Heeft Gods Zoon niet juist door een gezin,
32 IV,32 | de menswording van Gods Zoon en van de door Hem bewerkte
33 IV,32 | liefde van de Vader, die zijn Zoon heeft gegeven "opdat ieder
34 IV,39 | Christus, de mensgeworden Zoon van God, als het centrale
35 IV,40 | menswording vieren van de Zoon van God, heilsmysterie voor
36 IV,40 | doet kennen van zijn enige Zoon en zijn heilsplan voor de
37 IV,43 | steeds op haar goddelijke Zoon, en zij wordt aan alle gelovigen
38 IV,44 | wezen met de Vader en de Zoon, in het absolute mysterie
39 IV,49 | met name voor de 'verloren zoon' (vgl. Lc 15,11-32) wij
|