Chapter, Paragraph
1 Intro,1| van de menswording van het Woord, de Zoon, één in wezen met
2 I,2 | Heren; mij geschiede naar uw woord" (1,38). In heel de geschiedenis
3 I,3 | menswording. Hij schrijft: "Het Woord is vlees geworden en heeft
4 I,3 | menswording plaats van het eeuwige Woord, een van wezen met de Vader.
5 I,3 | evangelist spreekt over het Woord dat in het begin bij God
6 I,3 | geworden wat geworden is; het Woord in wie het leven was, leven
7 I,3 | schept de wereld door het Woord. Het Woord is de eeuwige
8 I,3 | wereld door het Woord. Het Woord is de eeuwige Wijsheid,
9 I,3 | volheid der tijden het eeuwige Woord het menselijk bestaan op
10 I,3 | plaats vond. Dankzij het Woord verschijnt de geschapen
11 I,3 | mens te worden, dat het Woord de kosmische ordening van
12 I,4 | goddelijke Persoon van het Woord, wordt de natuur waarin
13 I,5 | slechts terloops een enkel woord wijden, wordt in het volle
14 I,5 | heeft de Vader het laatste woord gesproken over de mens en
15 I,6 | die in zijn mensgeworden Woord spreekt. Hier raken we aan
16 I,6 | is de menswording van het Woord. Hier zoekt niet alleen
17 I,6 | 1,18). Het mensgeworden Woord is dus de vervulling van
18 I,6 | éne Mens die tegelijk het Woord is, één in wezen met de
19 I,7 | in de menswording van het Woord. Als God op zoek gaat naar
20 I,7 | de eeuwigheid af in het Woord liefheeft, en Hij wil hem
21 II,10 | Jezus Christus, mensgeworden Woord, wordt de tijd een dimensie
22 II,11 | niet alleen af door zijn woord maar in de eerste plaats
23 II,16 | 16. Het woord 'jubileum' doet denken aan
24 III,19 | Aandachtig luisterend naar het Woord van God, heeft zij opnieuw
25 III,20 | in de ruimste zin van het woord de onmiddellijke voorbereiding
26 IV,31 | in het christelijk geloof woord en sacrament samengaan,
27 IV,36 | schonk. In welke mate is het Woord Gods geheel en al de ziel
28 IV,40 | nadenken over Christus, Woord van de Vader, door de werking
29 IV,40 | ofwel door de aan het woord van God zo rijke heilige
30 IV,41 | christelijk leven, volgens het woord van de apostel: "want gij
31 IV,41 | plaats van Christus, van het Woord van God en van het geloof
32 IV,43 | moederschap. In haar schoot is het Woord vlees geworden! Als er gesteld
33 IV,43 | licht van het mens geworden Woord beschouwt, dringt met ontzag
34 IV,46 | toen het evangelie, het woord van de waarheid tot hen
35 IV,48 | heilige Geest het mensgeworden Woord ontving en die daarna haar
36 V,59 | wereld het mensgeworden Woord heeft geschonken, de mensheid
|