Chapter, Paragraph
1 I,4 | van de Vader en van zijn liefde. Als beeld van de onzichtbare
2 I,7 | van een uitverkiezing uit liefde: God zoekt de mens, daartoe
3 IV,31| leven doet verwachten, hun liefde te verlevendigen waarmee
4 IV,32| bewondering staan tegenover de liefde van de Vader, die zijn Zoon
5 IV,35| blijk gaf van geduldige liefde en nederige zachtheid. Uit
6 IV,37| vruchten van geloof, hoop en liefde bij mannen en vrouwen uit
7 IV,44| drieëne God de persoon is die liefde is, de ongeschapen gave
8 IV,45| lichaam één: Hij is het die de liefde tussen de gelovigen bewerkt
9 IV,47| gedragen wordt door onderlinge liefde (vgl. 1 Kor 13,1-8). Door
10 IV,49| wiens onvoorwaardelijke liefde voor ieder menselijk schepsel
11 IV,50| voorwaarde van de christelijke liefde is van bijzonder belang
12 IV,50| goddelijke deugd van de liefde, indachtig de beknopte en
13 IV,50| brief van Johannes: "God is liefde" (4,8.16). De liefde, met
14 IV,50| is liefde" (4,8.16). De liefde, met haar dubbel aspect
15 IV,50| met haar dubbel aspect van liefde voor God en voor de naaste,
16 IV,52| mysterie van de Vader en diens liefde de mens voor zichzelf duidelijk
17 IV,52| zal de beschaving van de liefde moeten zijn, gebaseerd op
18 IV,54| volmaakte voorbeeld van de liefde voor God en voor de naaste.
19 V,59| de Moeder van de schone liefde, zal voor de christenen
|