Chapter, Paragraph
1 I,3 | heeft onder ons gewoond. Wij hebben zijn heerlijkheid
2 I,4 | onder de hemel waardoor wij gered kunnen worden (vgl.
3 I,4 | lezen we: Ò" Hem hebben wij de verlossing door zijn
4 II,15 | sacramenten heeft ontvangen. Wat wij hebben gezegd over de jubilea
5 III,17| deze overtuiging kijken wij heden dankbaar en met een
6 III,17| bijzondere wijze kijken wij met de ogen van het geloof
7 IV,34 | wordt gestimuleerd.~Maar wij weten allemaal dat het bereiken
8 IV,34 | Van ons wordt gevraagd dat wij het schenken van die gave
9 IV,34 | oecumenische initiatieven, zodat wij bij het grote Jubileum misschien
10 IV,37 | huwelijk hebben beleefd: omdat wij overtuigd van de overvloedige
11 IV,46 | bedoeling.~Zo schrijft Paulus: "Wij weten immers dat de hele
12 IV,46 | En niet alleen zij, ook wij zelf, die toch reeds de
13 IV,46 | Geest hebben ontvangen, ook wij zuchten over ons eigen lot,
14 IV,46 | over ons eigen lot, zolang wij nog wachten op de verlossing
15 IV,46 | lichaam. In deze hoop zijn wij gered" (Rom 8,22-24). De
16 IV,49 | zoon' (vgl. Lc 15,11-32) wij iedere dag opnieuw ervaren.
|