Chapter, Paragraph
1 Intro,1| tijd gekomen was, heeft God zijn Zoon gezonden, geboren
2 Intro,1| erfgenaam, door toedoen van God" (Gal 4,6-7).~Paulus' uiteenzetting
3 I,2 | had de boodschapper van God er onmiddellijk aan toegevoegd: "
4 I,2 | hebt genade gevonden bij God. Zie, gij zult zwanger worden
5 I,2 | genoemd worden, Zoon van God" (1,30-32.35). Het antwoord
6 I,3 | Woord dat in het begin bij God was, door wie alles is geworden
7 I,3 | Over de eengeboren Zoon, God uit God, schrijft de apostel
8 I,3 | eengeboren Zoon, God uit God, schrijft de apostel Paulus
9 I,3 | de schepping" (Kol 1,15). God schept de wereld door het
10 I,3 | Gedachte en het Wezensbeeld van God, "de afstraling van Gods
11 I,3 | eeuwigheid bemind door de Vader, God uit God en Licht uit Licht,
12 I,3 | bemind door de Vader, God uit God en Licht uit Licht, is Hij
13 I,3 | oerbeeld van alles wat door God in de tijd geschapen is.~
14 I,3 | spreekt over het plan dat God van tevoren in Christus
15 I,4 | de enige middelaar tussen God en de mensen, en er is geen
16 I,4 | beeld van de onzichtbare God is Christus de volmaakte
17 I,4 | misvormde gelijkenis met God heeft teruggeschonken. In
18 I,4 | menswording heeft de Zoon van God zich in zekere zin met iedere
19 I,5 | Het feit dat de Zoon van God "één van de onzen" is geworden,
20 I,5 | tot Christus als tot een God". 7~Maar de grote gebeurtenis,
21 I,5 | verhalen. Christus, ware God en ware mens, Heer van het
22 I,5 | aan de Hebreeën: "Nadat God eertijds vele malen en op
23 I,6 | ware opvoedingsplan van God. 8 Deze pedagogie bereikt
24 I,6 | niet alleen 'in naam van God' zoals de profeten, maar
25 I,6 | de profeten, maar Hij is God zelf die in zijn mensgeworden
26 I,6 | zoeken van de mens naar God vorm heeft gekregen. Het
27 I,6 | niet alleen de mens naar God, maar God komt in eigen
28 I,6 | alleen de mens naar God, maar God komt in eigen persoon over
29 I,6 | verkondigt: "Niemand heeft ooit God gezien; de Eniggeboren Zoon,
30 I,6 | vervulling is het werk van God, en gaat alles wat een mens
31 I,6 | een tastend zoeken naar God" (vgl. Hnd 17,27), maar
32 I,6 | geloof op de zich openbarende God: een antwoord waarbij de
33 I,6 | antwoord waarbij de mens tot God spreekt als tot zijn Schepper
34 I,6 | wezen met de Vader, in wie God tot iedere mens spreekt
35 I,6 | mens de mogelijkheid heeft God antwoord te geven. Sterker
36 I,6 | hele schepping antwoord aan God. Jezus Christus is het nieuwe
37 I,6 | definitieve eindpunt. Juist zoals God in Christus over zichzelf
38 I,6 | Christus over zichzelf tot God, ja, geven zij zichzelf
39 I,6 | geven zij zichzelf aan God. Zo keert alles terug tot
40 I,6 | voltooiing van alle dingen in God, een voltooiing die de glorie
41 I,6 | voltooiing die de glorie is van God. De godsdienst die op Jezus
42 I,6 | volheid van het leven in God.~
43 I,7 | In Jezus Christus spreekt God niet alleen tot de mens,
44 I,7 | Gods Zoon getuigt daarvan: God zoekt de mens. Dit zoeken
45 I,7 | dat begint in het hart van God en dat zijn hoogtepunt bereikt
46 I,7 | menswording van het Woord. Als God op zoek gaat naar de mens,
47 I,7 | waardigheid van aangenomen kind. God zoekt dus de mens, die anders
48 I,7 | eigendom is. De mens hoort aan God toe op grond van een uitverkiezing
49 I,7 | uitverkiezing uit liefde: God zoekt de mens, daartoe bewogen
50 I,7 | leiden door de vijand van God (vgl. Gn 3,13). Satan heeft
51 I,7 | te overtuigen dat hijzelf god zou zijn, en dat hij, zoals
52 I,7 | zijn, en dat hij, zoals God, goed en kwaad zou kunnen
53 I,7 | Gods wil (vgl. Gn 3,5). Als God de mens door de Zoon zoekt,
54 I,7 | zondeschuld aflost en met God wordt verzoend. De Zoon
55 I,7 | wordt verzoend. De Zoon van God is juist daartoe mens geworden
56 I,8 | verblijft in het hart van God' en deelt in zijn eigen
57 I,8 | aanhef werd geciteerd: "God heeft de Geest van zijn
58 I,8 | en geween" (Heb 5,7) tot God richtte: de mens roept tot
59 I,8 | richtte: de mens roept tot God zoals Christus geroepen
60 I,8 | aan het eigen leven van God. Hij bewerkt dat de mens
61 I,8 | verkeren in het hart van God', dat begint met de menswording
62 I,8 | de diepste geheimen van God doorgrondt (vgl. 1 Kor 2,
63 II,9 | Inderdaad is juist doordat God door de menswording in de
64 II,9 | alleen in de ontmoeting met God mogelijk is. Het is in God
65 II,9 | God mogelijk is. Het is in God dat de mens volledig wordt
66 II,9 | De mens ontplooit zich in God, die hem tegemoet is gekomen
67 II,9 | Eeuwige, dat wil zeggen God. In de 'volheid van de tijd'
68 II,9 | vinden in de eeuwigheid van God.~
69 II,10 | de tijd een dimensie van God, die in zichzelf eeuwig
70 II,10 | wederkomst.~Uit de relatie van God met de tijd vloeit de plicht
71 II,10 | tijden, dagen, weken aan God worden toegewijd, zoals
72 II,12 | op bijzondere wijze aan God was gewijd. Volgens de wet
73 II,12 | moest gebeuren ter ere van God. Wat betrekking had op het
74 II,12 | want deze behoorde aan God, en de Israëlieten konden
75 II,12 | slavernij verkeren, want God had hen bij de bevrijding
76 II,13 | gedeelde overtuiging: aan God alleen komt als Schepper
77 II,13 | bijzonder (vgl. Lev 25,23). Dat God in zijn Voorzienigheid de
78 II,13 | verplicht was in naam van God, de enige ware eigenaar,
79 II,13 | ware eigenaar, te handelen. God wil immers dat de geschapen
80 II,16 | wordt, want de komst van God is een ook uitwendig, zichtbaar,
81 II,16 | brengen, wetende dat 'bij God niets onmogelijk is'.~
82 III,19 | luisterend naar het Woord van God, heeft zij opnieuw bevestigd
83 III,20 | boodschap van het Concilie wordt God getoond in zijn absolute
84 III,23 | openbaring van de kinderen van God, en leeft zij uit die verwachting,
85 III,24 | de weg die het Volk van God uit het Oude Verbond is
86 IV,31 | bevestigen in hun geloof in God die zich in Christus heeft
87 IV,32 | de innige vereniging met God en van de eenheid van heel
88 IV,32 | mensen en gemeenschappen met God.~
89 IV,33 | moede boete te doen: voor God en voor de mensen erkent
90 IV,34 | zeker die welke de door God voor zijn volk gewilde eenheid
91 IV,35 | alleen waarlijk vrije en van God vervulde geesten wisten
92 IV,36 | tegenwoordig leven alsof God niet bestaat, of waardoor
93 IV,36 | zij het ware gezicht van God niet hebben getoond "door
94 IV,36 | deelname van het Volk van God, zonder daarmee een aan
95 IV,37 | vereren bewees de kerk aan God zelf de hoogste eer; in
96 IV,38 | als enige Middelaar tussen God en de mensen en als enige
97 IV,39 | de mensgeworden Zoon van God, als het centrale thema,
98 IV,40 | menswording vieren van de Zoon van God, heilsmysterie voor heel
99 IV,40 | door de aan het woord van God zo rijke heilige liturgie,
100 IV,41 | Christus, van het Woord van God en van het geloof wordt
101 IV,42 | geloof van het Volk van God te verlevendigen". 27 Om
102 IV,44 | mysterie van de drieëne God de persoon is die liefde
103 IV,44 | iedere schenking welke van God komt in de orde van de schepping,
104 IV,44 | van de zelfmededeling van God in de orde van de genade.
105 IV,45 | degene die het Rijk van God in de loop van de geschiedenis
106 IV,46 | komst van het koninkrijk van God dat zij van dag tot dag
107 IV,47 | de leden van het Volk van God ongetwijfeld tot een rijper
108 IV,48 | zoals Abraham de wil van God wist te aanvaarden, "hopend
109 IV,48 | stellen op de beloften van God.~
110 IV,49 | Derde jaar: God de Vader~49. 1999, het derde
111 IV,49 | U kennen, de enige ware God en Hem die Gij hebt gezonden,
112 IV,49 | van de Vader: "Gezegend is God de Vader van onze Heer Jezus
113 IV,50 | eerste brief van Johannes: "God is liefde" (4,8.16). De
114 IV,50 | dubbel aspect van liefde voor God en voor de naaste, is de
115 IV,50 | van de gelovige. Zij heeft God als oorsprong en als voltooiing.~
116 IV,52 | verschraald doordat het God heeft vergeten of gemarginaliseerd.
117 IV,53 | moeten worden ingeruimd. God geve dat, om de oprechtheid
118 IV,54 | voorbeeld van de liefde voor God en voor de naaste. Zoals
119 IV,55 | voltooiing in de drieëne God; de jubileumviering actualiseert
120 V,56 | alle mensen op het volk God, zegt Vaticanum II in de
121 V,56 | eenheid van het volk van God ... zijn dus alle mensen
122 V,56 | is bij het heilsplan van God, waarbij hij benadrukt dat
123 V,59 | evenbeeld van de onzichtbare God, Eerstgeborene van de gehele
|