|
V
"Jezus Christus is dezelfde ... tot in eeuwigheid" (Heb 13, 8)
56. De kerk bestaat reeds tweeduizend jaar. Zoals het
mosterdzaadje uit het evangelie schiet zij op en wordt een grote boom die
met haar lover de gehele mensheid bedekken kan (vgl. Mt 13,31-32). Sprekend
over het vraagstuk van het lidmaatschap van de kerk en de gerichtheid van
alle mensen op het volk God, zegt Vaticanum II in de Dogmatische
Constitutie over de kerk het volgende: "Tot deze katholieke eenheid van
het volk van God ... zijn dus alle mensen geroepen. Op verscheidene wijzen
behoren daartoe of zijn daarop gericht zowel de gelovige katholieken als de
anderen die in Christus geloven, en tenslotte zelfs alle mensen zonder
uitzondering, door Gods genade tot het heil geroepen." 35 Van zijn
kant zet Paulus VI in de encycliek Ecclesiam suam uiteen dat heel de
mensheid betrokken is bij het heilsplan van God, waarbij hij benadrukt dat er
verschillende cirkels zijn in de heilsdialoog. 36
In het licht van deze gedachte is de parabel van het gist in het deeg (vgl. Mt
13,33) nog beter te verstaan: Christus als goddelijk gist dringt steeds dieper
door in de actualiteit van het leven der mensheid en verbreidt daarbij het
heilswerk dat in het paasmysterie is voltrokken. Ook het hele verleden van het
menselijk geslacht, te beginnen bij de eerste Adam, betrekt Hij in zijn
heilbrengende macht. 37 De toekomst hoort aan Hem toe: "Jezus
Christus is dezelfde gisteren, vandaag en tot in eeuwigheid" (Heb 13, 8).
"De kerk van haar kant heeft slechts één doel voor ogen: onder leiding van
de Trooster, de Geest, het werk van Christus zelf voort te zetten, die in de
wereld kwam om getuige te zijn voor de waarheid, om te redden en niet om te
oordelen, om te dienen en niet om zich te laten dienen." 38
|