3. In de proloog van zijn evangelie vat Johannes in één zin
heel de diepte samen van het geheim van de menswording. Hij schrijft: "Het
Woord is vlees geworden en heeft onder ons gewoond. Wij hebben zijn
heerlijkheid aanschouwd, zulk een heerlijkheid als de Eniggeborene van de Vader
ontvangt, vol genade en waarheid" (1, 14). In de ontvangenis en geboorte
had voor Johannes de menswording plaats van het eeuwige Woord, een van wezen
met de Vader. De evangelist spreekt over het Woord dat in het begin bij God
was, door wie alles is geworden wat geworden is; het Woord in wie het leven
was, leven dat het licht was van de mensen (vgl. 1,1-5). Over de eengeboren
Zoon, God uit God, schrijft de apostel Paulus dat Hij was "de
eerstgeborene van heel de schepping" (Kol 1,15). God schept de
wereld door het Woord. Het Woord is de eeuwige Wijsheid, de Gedachte en het
Wezensbeeld van God, "de afstraling van Gods heerlijkheid en het evenbeeld
van zijn wezen" (Heb 1,3). Van eeuwigheid verwekt en van eeuwigheid bemind
door de Vader, God uit God en Licht uit Licht, is Hij het beginsel en oerbeeld
van alles wat door God in de tijd geschapen is.
Het feit
dat in de volheid der tijden het eeuwige Woord het menselijk bestaan op zich
heeft genomen, geeft een heel eigen kosmische betekenis aan het gebeuren
dat 2000 jaar geleden te Betlehem plaats vond. Dankzij het Woord verschijnt de
geschapen wereld als 'kosmos', dat wil zeggen als geordend universum. En
opnieuw is het door mens te worden, dat het Woord de kosmische ordening van de
schepping hernieuwt. De brief aan de Efeziërs spreekt over het plan dat God van
tevoren in Christus had vastgesteld "ter verwezenlijking van de volheid
der tijden: het heelal in Christus onder éÉn hoofd te brengen, alle wezens in
de hemel en alle wezens op aarde, in Hem" (1,10).
|