4. Christus, de Verlosser van de wereld, is de enige
middelaar tussen God en de mensen, en er is geen andere naam onder de hemel
waardoor wij gered kunnen worden (vgl. Hnd 4,12). In de brief aan de Efeziërs
lezen we: Ò" Hem hebben wij de verlossing door zijn bloed, de vergeving
van de zonden, dankzij de rijkdom van zijn genade. Die heeft Hij ons meegedeeld
als een overvloed van wijsheid en inzicht. Hij heeft ons zijn geheim
raadsbesluit doen kennen, de beslissing die Hij in Christus had genomen ter
verwezenlijking van de volheid der tijden" (1,7-10). Christus, de Zoon die
een van wezen is met de Vader, openbaart dus Gods bedoeling met de gehele
schepping, en met de mens in het bijzonder. Zoals Vaticanum II het zo
indrukwekkend formuleert: "Hij maakt de mens voor zichzelf duidelijk en
geeft hem inzicht in zijn zeer hoge roeping". 2 Hij laat hem die
roeping zien door de openbaring van het geheim van de Vader en van zijn liefde.
Als beeld van de onzichtbare God is Christus de volmaakte mens die aan de
kinderen van Adam de door de zonde misvormde gelijkenis met God heeft
teruggeschonken. In zijn menselijke natuur, die vrij was van alle zonde en die
opgenomen was in de goddelijke Persoon van het Woord, wordt de natuur waarin
alle mensen delen, verheven tot een waardigheid die haar gelijke niet kent:
"Door zijn menswording heeft de Zoon van God zich in zekere zin met
iedere mens verenigd. Met menselijke handen heeft Hij werk verricht, met
een menselijke geest heeft Hij gedacht, met een menselijke wil heeft Hij
gehandeld, met een menselijk hart heeft Hij liefgehad. Geboren uit de maagd
Maria, is Hij werkelijk één van de onzen geworden, in alles aan ons gelijk,
behalve in de zonde." 3
|