5. Het feit dat de Zoon van God "één van de onzen"
is geworden, heeft zich in alle nederigheid voltrokken. Het is dus niet
verwonderlijk dat de profane geschiedschrijving, die zich bezig hield met meer
spectaculaire gebeurtenissen en prominenter persoonlijkheden, aanvankelijk op
Hem slechts korte hoewel duidelijke toespelingen heeft gemaakt. Christus wordt
bijvoorbeeld genoemd in de Joodse Oudheden, een door de
geschiedschrijver Flavius Josephus tussen 93 en 94 te Rome geschreven werk,
4 en vooral in de Annalen van Tacitus die tussen 115 en 120
werden geschreven. Bij het verslag over de brand van Rome in 64, waarvan Nero
valselijk de christenen de schuld gaf, wordt door de schrijver uitdrukkelijk
gesproken over Christus "ter dood gebracht door de landvoogd Pontius
Pilatus onder keizer Tiberius". 5 Ook Suetonius deelt ons in zijn
rond 121 geschreven biografie van keizer Claudius mee dat de joden uit Rome
werden verdreven omdat "zij op aanstichting van een zekere Chrestos
veelvuldig onlusten veroorzaakten". 6 De meeste geleerden blijken
er in hun uitleg van overtuigd te zijn dat deze tekst betrekking heeft op Jezus
Christus, die bij de joodse kringen in Rome een bron van onderlinge strijd was
geworden. Er is nog een ander belangrijk getuigenis, waaruit de snelle
verspreiding van het christendom blijkt: het getuigenis van Plinius de Jongere,
gouverneur van Bithynia, die aan keizer Trajanus tussen 111 en 113 meldt dat
een groot aantal mensen gewoon waren bijeen te komen "op een vaste dag en
voor de dageraad, om in beurtzang een loflied te zingen tot Christus als tot
een God". 7
Maar de grote gebeurtenis, waaraan de niet-christelijke schrijvers slechts
terloops een enkel woord wijden, wordt in het volle licht geplaatst door de
geschriften van het Nieuwe Testament, die weliswaar geloofsdocumenten zijn,
maar zelfs als historische getuigenissen daarom niet minder betrouwbaar zijn in
al wat zij verhalen. Christus, ware God en ware mens, Heer van het heelal, is
ook Heer van de geschiedenis, waarvan Hij de "Alfa en Omega" (Apk
1,8;21, 6), "het Begin en het Einde" (Apk 21, 6) is. In Hem heeft de
Vader het laatste woord gesproken over de mens en zijn geschiedenis. Dat wordt
kernachtig gezegd in de brief aan de Hebreeën: "Nadat God eertijds vele
malen en op velerlei wijze tot onze vaderen gesproken had door de profeten,
heeft Hij nu, op het einde der tijden, tot ons gesproken door de Zoon"
(1,1-2).
|