10. In het christendom heeft de tijd een fundamentele
betekenis. In de dimensie van de tijd werd de wereld geschapen, in hem
ontvouwt zich de heilsgeschiedenis, waarvan het hoogtepunt de 'volheid van de
tijd' van de menswording is, en die haar doel bereikt in de glorievolle
terugkeer van Gods Zoon aan het einde der tijden. In Jezus Christus, mensgeworden
Woord, wordt de tijd een dimensie van God, die in zichzelf eeuwig is. Met
de komst van Christus breken de "laatste dagen" aan (vgl. Heb 1,2),
"het laatste uur" (vgl. Joh 2,18); met zijn komst begint de tijd van
de kerk die duren zal tot aan zijn wederkomst.
Uit de
relatie van God met de tijd vloeit de plicht voort, de tijd te heiligen. Dat
gebeurt bijvoorbeeld als bepaalde tijden, dagen, weken aan God worden
toegewijd, zoals dat reeds gebeurde in de godsdienst van het Oude Verbond, en
zoals dat, zij het op een andere wijze, nog gebeurt in het christendom. Wanneer de voorganger in
de liturgie van de vigilie van Pasen de kaars, het symbool van de verrezen
Christus, zegent, zegt hij luid: "Christus gisteren en heden, Begin en Einde.
Alfa en Omega. Hem behoren tijd en eeuwigheid, heerlijkheid en heerschappij
door alle eeuwen der eeuwen." Bij het uitspreken van die woorden grift hij
op de kaars de cijfers van het betreffende jaar. De betekenis van deze rite is
duidelijk: ze brengt helder tot uitdrukking dat Christus de Heer van de tijd
is, het begin en de voltooiing ervan; ieder jaar, iedere dag, ieder
ogenblik wordt opgenomen in zijn menswording en Verrijzenis, en wordt zo deel
van de 'volheid van de tijd'. Daarom ook beleeft en viert de kerk de liturgie
binnen de loop van een jaar. Het zonnejaar wordt zo geheel doordesemd door
het liturgisch jaar, dat in zekere zin heel het mysterie van menswording en
Verlossing weer tegenwoordig stelt, beginnend bij de eerste zondag van de
advent en besloten met het feest van Christus als Koning en Heer van het heelal
en van de geschiedenis. Iedere zondag herinnert aan de dag waarop de Heer is
verrezen.
|