11. Tegen deze achtergrond kan men gemakkelijk het gebruik
van de jubileumjaren begrijpen die in het Oude Testament begon en doorgaat
in de geschiedenis van de kerk. Toen Jezus van Nazaret op een dag naar de
synagoge van zijn stad was gegaan, stond Hij op om voor te lezen (vgl. Lc
4,16-30). Men reikte Hem de boekrol van de profeet Jesaja toe, en daaruit las
Hij de volgende passage (61,1-2) voor: "De geest van Jahwe, mijn Heer,
rust op mij, want Jahwe heeft mij gezalfd. Hij heeft mij gezonden om de armen
het blijde nieuws te brengen, om te verbinden wier hart gebroken is, om aan de
gevangenen vrijlating te melden, en aan de geboeiden de terugkeer naar het
licht; om een jaar van Jahwe's genade te melden." (Je, 61,1-2)
De profeet sprak over de Messias. Jezus voegde eraan toe: "Het
Schriftwoord dat gij zojuist gehoord hebt, is thans in vervulling gegaan"
(Lc 4,21), en gaf daarmee te verstaan dat Hijzelf de beloofde Messias was en
dat de 'tijd' waarnaar zo lang was uitgezien in Hem was aangebroken: gekomen
was de dag van het heil, de 'volheid van de tijd'. Alle jubileumjaren hebben
betrekking op deze 'tijd' en betreffen de messiaanse zending van Christus, die kwam als 'gezalfd
door de heilige Geest', en 'gezonden door de Vader'. Hij verkondigt het blijde
nieuws aan de armen. Hij brengt vrijheid aan hen die geen vrijheid kennen, Hij
bevrijdt de onderdrukten, Hij geeft aan de blinden het licht terug van hun ogen
(vgl. Mt 11,4-5; Lc 7,22). Op deze wijze brengt Hij 'een genadejaar van de
Heer' tot stand; Hij kondigt het niet alleen af door zijn woord maar in de
eerste plaats door zijn daden. Het jubileumjaar, dat wil zeggen 'een genadejaar
van de Heer', is het kenmerk van al wat Jezus doet, en niet enkel een
gedenkdag die jaarlijks terugkeert.
|