12. De woorden en daden van Jezus vormen op die wijze de
vervulling van heel de traditie der jubileumjaren uit het Oude Testament. Zoals
men weet was het jubileumjaar een tijd die op bijzondere wijze aan God was
gewijd. Volgens de wet van Mozes was ieder zevende jaar zo'n jubileumjaar: het
was het 'sabbatjaar', waarin men de grond liet rusten en de slaven vrijliet. De
plicht, slaven vrij te laten, was tot in detail geregeld door de voorschriften
uit de boeken Exodus (23,10-11), Leviticus (25,1-28), Deuteronomium (15,1-6),
met andere woorden in heel de bijbelse wetgeving, die zo op deze heel eigen
wijze wordt gekarakteriseerd. Voor het sabbatjaar voorzag de Wet niet alleen in
de vrijlating van de slaven, maar ook in de kwijtschelding van alle schulden
overeenkomstig nauwkeurig omschreven voorschriften. En dat alles moest gebeuren
ter ere van God. Wat betrekking had op het sabbatjaar gold ook voor het
'jubeljaar' ('jobeljaar') eens in de vijftig jaar. Maar in het jubeljaar werden
de gebruiken van het sabbatjaar uitgebreid en nog plechtiger gevierd. We lezen
in Leviticus: "Dat vijftigste jaar moet een heilig jaar voor u zijn: dan
moet ge in het land afkondigen dat alle bewoners hun slaven vrijlaten. Het moet
een jobeljaar voor u zijn; iedereen wordt hersteld in zijn vroeger bezit en keert
terug naar zijn familie" (25,10). Een van de meest opmerkelijke gevolgen
van het jubeljaar was de algemene 'emancipatie' van alle inwoners die naar
bevrijding verlangden. Bij die gelegenheid kreeg iedere Israëliet de grond
van zijn voorouders terug, als hij hem had verkocht of was kwijt geraakt
doordat hij slaaf was geworden. Hij kon de grond niet voorgoed kwijtraken, want
deze behoorde aan God, en de Israëlieten konden niet voorgoed in slavernij
verkeren, want God had hen bij de bevrijding uit de slavernij in Egypte voor
zichzelf als alleen Hèm toebehorend eigendom 'vrijgekocht'.
|