13. De voorschriften van het jubeljaar zijn voor een groot
deel bij een ideaal gebleven - het was meer iets wat gehoopt werd dan iets wat
werkelijk gebeurde. Maar van de andere kant werden ze tot een prophetia
futuri, de aankondiging van de ware bevrijding die de komende Messias zou
bewerken. In ieder geval begon zich op basis van de juridische normen die in
deze voorschriften vervat lagen, een soort sociale leer af te tekenen,
die daarna, te beginnen met het Nieuwe Testament, verder tot ontwikkeling zou
komen. Het jubeljaar moest de gelijkheid onder alle kinderen van Israël
herstellen door nieuwe mogelijkheden te bieden aan families die hun
bezittingen en zelfs hun persoonlijke vrijheid hadden verloren. Anderzijds
herinnerde het jubeljaar de rijken eraan dat de tijd zou komen waarop de
Israëlitische slaven weer hun gelijken zouden worden en hun rechten zouden
kunnen opeisen. Op de door de Wet voorgeschreven tijd moest een jubeljaar
worden afgekondigd, en moest men allen die in nood verkeerden, ter hulp komen.
Dat was een eis van rechtvaardig bestuur. Gerechtigheid betekende volgens de
Wet van Israël vooral het beschermen van de zwakken, en een koning moest
daarin uitmunten, zoals de psalmist zegt: "Redt hij niet de nooddruftige
die jammert, de arme van helper verstoken? met wie weerloos gebrek lijdt, in
deernis bewaart hij het leven der schamelen" (Ps 72,12-13). Deze
traditie heeft een strikt theologische grondslag en hangt in de eerste
plaats samen met de theologie van de schepping en van de goddelijke
Voorzienigheid. Er was namelijk een door allen gedeelde overtuiging: aan God
alleen komt als Schepper het 'dominium altum' toe, dat wil zeggen de
heerschappij over heel de schepping en over de aarde in het bijzonder (vgl. Lev
25,23). Dat God in zijn Voorzienigheid de aarde aan de mensen had geschonken
betekende dat Hij haar aan allen had gegeven. Daarom moesten de rijkdommen
van de schepping beschouwd worden als gemeenschappelijk bezit van de hele
mensheid. Degene die deze goederen als eigendom bezat, was in werkelijkheid
alleen de beheerder ervan, anders gezegd: een dienaar die verplicht was in naam
van God, de enige ware eigenaar, te handelen. God wil immers dat de geschapen
goederen aan allen op rechtvaardige wijze ten dienste staan. Het jubeljaar
was juist bedoeld om deze sociale rechtvaardigheid te herstellen. In de
traditie van het jubeljaar ligt zo een van de wortels van de kerkelijke sociale
leer, die altijd een onderdeel was van het kerkelijk onderricht en die in deze
eeuw een sterke ontwikkeling heeft doorgemaakt, met name sinds de encycliek Rerum
novarum.
|