19. Het Concilie heeft weliswaar niet de gestrenge toon
gebruikt waarmee Johannes de Doper aan de oever van de Jordaan opriep tot boete
en bekering (vgl. Lc 3,1-17), maar het heeft in zich iets van de oude profeet
laten blijken door met nieuwe kracht de moderne mens te wijzen op Christus,
"het Lam Gods dat wegneemt de zonde der wereld" (Joh 1,29), de
Verlosser van de mens, de Heer van de geschiedenis. Juist vanuit het verlangen
volledig trouw te zijn aan haar Meester heeft de kerk tijdens het Concilie de
vraag naar haar eigen wezen gesteld, en opnieuw de diepte ontdekt van haar
geheim als lichaam en bruid van Christus. Aandachtig luisterend naar het Woord
van God, heeft zij opnieuw bevestigd dat allen tot heiligheid geroepen zijn; ze
heeft de hervorming van de liturgie, 'bron en hoogtepunt van haar leven', ter
hand genomen; zij gaf de aanzet tot vernieuwing van talrijke aspecten van haar
leven zowel op universeel niveau als in de plaatselijke kerken; zij heeft zich
ingezet voor het bevorderen van de verschillende soorten van christelijke
roeping, de roeping van de leek en die van de religieus, van het ambt van
diaken en dat van priester en bisschop; op bijzondere wijze heeft zij weer de
bisschoppelijke collegialiteit ontdekt, die bij uitstek de pastorale dienst tot
uitdrukking brengt die de bisschoppen in verbondenheid met PetrusÕ opvolger
verrichten. In het kader van deze diep ingrijpende vernieuwing heeft het
Concilie zich gewend tot de christenen van de andere confessies, naar de leden
van de andere godsdiensten, naar alle mensen van onze tijd. In geen ander
Concilie heeft men met even grote duidelijkheid gesproken over de eenheid van
de christenen, over het gesprek met de niet-christelijke godsdiensten, over de
heel eigen betekenis van het Oude Verbond en van Israël, over de waardigheid
van het persoonlijk geweten, over het beginsel van religieuze vrijheid, over de
verschillende culturele tradities waarbinnen de kerk haar missionaire opdracht
vervult, over de sociale communicatiemiddelen.
|