32. Een jubileum is altijd een tijd van bijzondere genade,
'een door de Heer gezegende dag': zoals reeds werd opgemerkt, heeft het als
zodanig een vreugdevol karakter. Het Jubileum van het jaar 2000 moet een groot
gebed van lof en dank zijn, met name voor het geschenk van de menswording van
Gods Zoon en van de door Hem bewerkte Verlossing. Tijdens het Jubileumjaar
zullen de christenen met verjongd geloof en nieuwe bewondering staan tegenover
de liefde van de Vader, die zijn Zoon heeft gegeven "opdat ieder
die in Hem gelooft niet verloren gaat maar het eeuwige leven heeft" (Joh
3,16). Daarnaast zullen zij met grote overtuiging dank brengen voor het
geschenk van de kerk, die door Christus gesticht is als "het
sacrament, dat wil zeggen het teken en het instrument, van de innige vereniging
met God en van de eenheid van heel het menselijk geslacht". 14 Ook
zullen zij dank brengen voor de vruchten van heiligheid die gerijpt zijn
in het leven van zoveel mannen en vrouwen, die in iedere generatie en in elke
periode van de geschiedenis steeds weer opnieuw zonder voorbehoud de gave van
de Verlossing hebben aanvaard.
Maar de vreugde van ieder jubileum is
heel in het bijzonder een vreugde die berust op de vergeving van de zonden,
de vreugde van de bekering. Daarom schijnt vooral hernieuwde nadruk gelegd te moeten
worden op het thema van de Bisschoppensynode van 1984: boete en verzoening.
15 Deze Synode was een buitengewoon belangrijke gebeurtenis in de
post-conciliaire geschiedenis van de kerk. Opnieuw werd daar de nog altijd
actuele kwestie van de bekering (metanoia) behandeld, die de inleidende
voorwaarde is voor de verzoening van mensen en gemeenschappen met God.
|