33. Het is dus goed dat, bij het naderend einde van het
tweede millennium van het christendom, de kerk zich levendiger bewust toont van
de zonden van haar kinderen, terugdenkend aan al die situaties in de loop van
haar geschiedenis waarin haar kinderen afgeweken zijn van de geest van Christus
en zijn evangelie, en, in plaats van aan de wereld een getuigenis te geven van
een door het geloof geïnspireerd leven, in denken en handelen een schouwspel
hebben geboden dat een waar anti-getuigenis en een schandaal was.
Weliswaar is de kerk heilig omdat zij is ingelijfd in Christus, toch wordt zij
niet moede boete te doen: voor God en voor de mensen erkent zij dat haar
zondige zonen en dochters steeds haar kinderen zijn. De Constitutie
Lumen gentium zegt daarover: "De kerk omvat zondaars in haar eigen
schoot en, terzelfder tijd heilig en altijd tot uitzuivering geroepen, streeft
zij onophoudelijk de boetvaardigheid en levensvernieuwing na." 16
De Heilige Deur van het Jubileumjaar 2000 zou symbolisch wijder moeten
openstaan dan die van de voorafgaande jubilea, want op dit punt aangekomen zal
de mensheid niet enkel een eeuw maar een millennium achter zich laten. Het is
passend dat de kerk deze overgang maakt in het heldere besef hoe haar gang door
de afgelopen tien eeuwen is geweest. Zij kan de drempel van het nieuwe
millennium niet overgaan zonder haar kinderen aan te sporen zich met berouwvol
hart te zuiveren van begane misstappen en van allerlei vormen van ontrouw,
incoherentie en traagheid. Het erkennen van zwakheden uit het verleden is een
daad van oprechtheid en moed, die ons geloof helpt versterken, die ons de
bekoringen en moeilijkheden van deze tijd doet opmerken, en die ons erop
voorbereidt daaraan het hoofd te bieden.
|