Chapter, Paragraph
1 II,11 | wrede heerser (vgl. Mt 2,13-15). Hij was zijn menselijke
2 II,11 | het kruis genageld" (Kol 2,13-14). Zo is het heil eens
3 II,13 | 13. Hoe kunnen Jezus’ mensheid
4 III,16(56) | voorafgaand aan de discussie, 13.~
5 III,16(57) | III, 2, 10-12; 6, 6; 7, 13.~
6 III,17(63) | Vgl. Lumen gentium, 13.~
7 IV,19 | Hem verkondigt?" (Rom 10,13-14). De Kerk in Azië staat
8 IV,20 | toehoorders (vgl. Hnd 14,13-17; 17,22-31). Ook de grote
9 IV,22(98) | Rapport na de discussie, 13.~
10 IV,23 | tot in eeuwigheid" (Heb 13,8), zoals de Kerk overal
11 V,24(122) | Propositie 13.~
12 V,25(125) | Propositie 13; vgl. Lumen gentium, 22.~
13 V,25(126) | Vgl. Propositie 13.~
14 V,25 | van allen (vgl. 1 Kor 1,13).~De solidariteit onder
15 V,29 | deeg van de wereld (vgl. Mt 13,33). Ze wil op de eerste
16 VI,34 | heeft liefgehad (vgl. Joh 13,34). Voor de Kerk in Azië
17 VI,41 | zichzelf toe (vgl. Mt 9,13) en zo deden ook de heiligen
18 VII,43 | ware leerling (vgl. Joh 13,35).~Ik wil bijzonder wijzen
19 VII,45(223)| bij de algemene audiëntie (13 juli 1994), 4, in: Insegnamenti
20 VII,49(239)| mysterium (29 november 1998), 13.~
21 Conclu,50 | beslag doet rijzen (vgl. Mt 13,33).~De volkeren van Azië
|