Chapter, Paragraph
1 II,11 | Kol 2,13-14). Zo is het heil eens en altijd bezegeld.
2 II,12 | dood heeft ondergaan om het heil te verwerven voor alle volkeren (
3 II,13 | verzoenen" (Kol 1,19-20). Het heil is te vinden in de persoon
4 II,13 | universeel karakter van het heil in Jezus~
5 II,14 | Heiland geloven, komt het heil als een genade van Jezus
6 III,15| Jezus-mysterie en van het heil dat Hij brengt. De synodevaders
7 III,16| de schepping en van het heil: de hoogste genade – gratia
8 III,16| verbonden met het universele heil in Jezus. De tegenwoordigheid
9 III,16| gericht op Jezus en op het heil dat Hij brengt. Daarom kan
10 III,17| God, voorbestemd om het heil, de door Hem beloofde volledige
11 III,17| plan van de Vader voor het heil van de mens eindigt niet
12 III,17| kracht heeft ontvangen om het heil van Christus op aarde tot
13 III,17| bestaat zij om Christus en het heil van de wereld te dienen.
14 III,18| waarheid over Jezus en het heil dat Hij voor ons heeft verdiend
15 V,25 | geest van liefde tot het heil van allen (vgl. 1 Kor 1,
16 V,26 | initiatieven te bevorderen, tot heil zowel van de Kerk als van
17 V,31 | in dat de volheid van het heil alleen van Christus komt,
18 V,31 | gebruikelijke middel is voor het heil. 154 Ik herhaal hier hetgeen
19 VI,41 | niet alleen voor eigen heil maar ook voor dat van de
|