9. De
geschiedenis van de Kerk in Azië is even oud als de Kerk zelf; immers, in
Azië stortte Jezus de heilige Geest uit over zijn leerlingen en zond Hij
hen tot aan de uiteinden der aarde om de Blijde Boodschap te verkondigen en
gelovige gemeenschappen bijeen te brengen. "Zoals de Vader Mij gezonden
heeft, zo zend Ik jullie" (Joh 20,21; zie ook Mt 28,18-20; Mc 16,15-18; Lc
24,47; Hnd 1,8). Gehoor gevend aan de opdracht van de Heer predikten de
apostelen het Woord en stichtten zij kerken. Het is goed om te herinneren aan
enige elementen van die boeiende en complexe geschiedenis.
Vanuit Jeruzalem breidde de Kerk zich uit naar Antiochië, Rome en
daarbuiten. Ze bereikte Ethiopië in het Zuiden, Scythië in het
Noorden en Indië in het Oosten, waarheen Thomas zich volgens de
overlevering in het jaar 52 begaf en er de kerken stichtte van Zuid-Indië.
De gemeenschap van Oost-Syrië in de derde en vierde eeuw, met Edessa als centrum,
muntte uit door missionaire geest. De ascetische gemeenschappen in Syrië
betekenden een geweldige kracht voor de evangelieprediking in Azië vanaf
de derde eeuw en daarna. Zij waren bron van geestelijke energie voor de Kerk,
vooral in tijden van vervolging. Armenië was het eerste land dat in zijn
geheel het christendom omhelsde tegen het einde van de derde eeuw, en het maakt
zich thans op voor de viering van de 1.700ste verjaardag van zijn doopsel.
Reeds tegen het eind van de vijfde eeuw had de christelijke boodschap de
Arabische vorstendommen bereikt, maar vanwege talrijke redenen, waaronder de
verdeeldheden onder de christenen, kreeg deze boodschap geen vaste voet onder
deze volken.
Perzische kooplieden brachten de Blijde Boodschap naar China in de vijfde
eeuw. De eerste christelijke Kerk werd er in het begin van de zevende eeuw
gesticht. Tijdens de T’ang-dynastie (618-907) leidde de Kerk ongeveer twee
eeuwen een bloeiend bestaan. De neergang van deze vitale Kerk in China tegen
het einde van het eerste millennium is een van de droevigste hoofdstukken uit
de geschiedenis van het volk van God op het continent.
In de dertiende eeuw werd de Blijde Boodschap verkondigd aan de
Mongolen, aan de Turken en opnieuw aan de Chinezen. Maar het christendom is in
die streken bijna verdwenen vanwege allerlei redenen, zoals de opkomende islam,
de verre afstand, het ontbreken van een goede aanpassing aan de plaatselijke
cultuur, en misschien vooral omdat men niet voorbereid was op de ontmoeting met
de grote godsdiensten van Azië. Tegen het einde van de veertiende eeuw had
er een drastische inkrimping plaats van de Kerk in Azië, met uitzondering
van de geïsoleerde gemeenschap in Zuid-Indië. De Kerk in Azië
zou moeten wachten op een nieuw tijdperk van missionaire inspanning.
Dankzij de apostolische arbeid van Franciscus Xaverius, de stichting van
de Congregatie de Propaganda Fide door paus Gregorius XV, en de aan de
missionarissen gegeven richtlijnen dat ze de cultuur ter plaatse moesten
respecteren en waarderen, werden positievere resultaten behaald in de zestiende
en zeventiende eeuw. In de negentiende eeuw werd de missieactiviteit weer
opgenomen. Verschillende congregaties van religieuzen wijdden zich van ganser
harte aan dit werk. Propaganda Fide werd gereorganiseerd. Er werd meer
nadruk gelegd op het stichten van plaatselijke kerken. De prediking van het
evangelie ging gepaard met werken van onderwijs en caritas. Dientengevolge
bereikte de Blijde Boodschap steeds meer mensen, met name onder armen en mensen
in nood, maar soms ook onder de maatschappelijke en intellectuele elite. Er
werd opnieuw getracht de Blijde Boodschap te incultureren, hoewel dit totaal
onvoldoende bleek. Ondanks haar eeuwenlange aanwezigheid en haar talrijke
apostolische ondernemingen werd de Kerk op veel plaatsen nog steeds als
buitenstaander beschouwd, en in het denken van de mensen vaak geassocieerd met
de koloniale machten.
Zo was de situatie op de vooravond van het Tweede Vaticaans Concilie;
maar dankzij de door het Concilie gegeven aanzet zag een nieuwe opvatting over
missie het daglicht en daagden daarmee grote verwachtingen. De universaliteit
van Gods heilsplan, het missionair karakter van de Kerk en de
verantwoordelijkheid voor die opdracht van alle kerkleden, zo sterk benadrukt
door het conciliedecreet over de missieactiviteit van de Kerk Ad gentes
divinitus, werden het kader voor een nieuw elan. Gedurende de Speciale
Vergadering hebben de synodevaders getuigd van de recente aanwas van de
kerkelijke gemeenschap bij talrijke volken in uiteenlopende gebieden van het
continent, en opgeroepen tot nieuwe missionaire krachtsinspanningen in de
komende jaren, met name omdat er nieuwe mogelijkheden zijn om het evangelie te
verkondigen in Siberië en in de landen van Centraal Azië die sinds
kort onafhankelijk zijn geworden, zoals Kazachstan, Uzbekistan, Kirghizstan,
Tadjikistan en Turkmenistan. 25
Laat men zijn blik weiden over de katholieke gemeenschappen in
Azië, dan ziet men hoe ze een bonte verscheidenheid vertonen vanwege hun
historische oorsprong en ontwikkeling, maar ook vanwege de verschillende
spirituele en liturgische tradities van de verschillende riten. Toch zijn alle
één in de verkondiging van de Blijde Boodschap van Jezus Christus
door middel van het christelijk getuigenis, de werken van caritas en menselijke
solidariteit. Sommige kerken vervullen hun zending in vrede en vrijheid, andere
leven in situaties van geweld en conflict of voelen zich door allerlei groepen
om godsdienstige of andere redenen bedreigd. In de zeer verscheiden culturele
wereld van Azië staat de Kerk voor allerlei filosofische, theologische en
pastorale uitdagingen. Haar taak is temeer zo moeilijk omdat ze een minderheid
is. De enige uitzondering hierop zijn de Filippijnen waar de katholieken in de
meerderheid zijn.
Hoe de omstandigheden ook mogen zijn, de Kerk in Azië leeft
temidden van volken die blijk geven van een intens verlangen naar God. De Kerk
weet dat deze dorst alleen door Jezus Christus, de Blijde Boodschap van God
voor alle naties, geheel gelest kan worden. De synodevaders hebben
uitdrukkelijk gewild dat de voorliggende postsynodale apostolische Exhortatie
dit verlangen centraal zou stellen en de Kerk in Azië zou aansporen om met
kracht, in woord en daad, te verkondigen dat Jezus de Heiland is.
De Geest van God die steeds aan het werk is in de geschiedenis van de
Kerk in Azië, blijft haar leiden. De talrijke positieve elementen die in
de lokale kerken worden aangetroffen en waarop veelvuldig tijdens de Synode is
gewezen, versterken onze verwachting van een "nieuwe lente in het
christelijk leven".26 Een serieuze reden om te mogen hopen is het
toenemend aantal beter opgeleide, enthousiaste en van de Geest vervulde
lekengelovigen, die zich in toenemende mate bewust zijn van hun eigen roeping
binnen de kerkelijke gemeenschap. Onder hen verdienen de lekencatechisten
bijzondere erkentelijkheid en lof. 27 Ook de charismatische en
apostolische bewegingen zijn een gave van de Geest; ze zijn een bron van nieuwe
energie en leven bij de vorming van mannelijke en vrouwelijke leken, gezinnen
en jonge mensen. 28 De kerkelijke verenigingen en bewegingen die zich
erop toeleggen de waardigheid van de mens en de gerechtigheid te bevorderen,
maken tastbaar en duidelijk dat de evangelische boodschap van onze aanname tot
kinderen van God voor iedereen geldt (vgl. Rom 8,15-16).
Tegelijk zijn er ook kerken die in zeer moeilijke omstandigheden leven
en "zwaar beproefd worden bij de beleving van hun geloof".29
De synodevaders waren diep onder de indruk door wat er verteld werd over het
heldhaftig getuigenis, de onwankelbare volharding en de constante groei van de
katholieke Kerk in China, over de inspanningen van de Kerk in Zuid Korea om aan
de inwoners van Nood Korea hulp te bieden, over de simpele vastberadenheid van
de katholieke gemeenschap in Vietnam, over het isolement van de christenen in
gebieden als Laos en Myanmar, over het moeizaam samenleven met de meerderheid
in overheersend islamitische landen. 30 De Synode besteedde speciale
aandacht aan de situatie van de Kerk in het Heilige Land en de heilige stad
Jeruzalem, "het hart van het christendom",31 de stad die zo
dierbaar is aan alle kinderen van Abraham. De synodevaders zeiden ervan
overtuigd te zijn dat de vrede in dat gebied en zelfs in de wereld voor een
groot deel afhangt van de vrede en verzoening die sinds zo lang reeds in
Jeruzalem nog steeds een dode letter zijn. 32
Ik mag dit korte, noodgedwongen niet volledige, overzicht over de
situatie van de Kerk in Azië niet besluiten zonder de heiligen en
martelaren van Azië te vermelden, zowel de officieel als zodanig erkende
als zij die alleen door God zijn gekend, en wier voorbeeld een bron is "van
geestelijke rijkdom en een krachtig middel voor evangelisatie".33
Zonder woorden maar op zeer duidelijke wijze getuigen zij hoe belangrijk het is
een heilig leven te leiden en bereid te zijn leven te offeren voor het
evangelie. Ze zijn de leraren, beschermers en roem van de Kerk in Azië bij
haar evangelisatieopdracht. Samen met de gehele Kerk bid ik de Heer veel
werkers te willen zenden om de oogst aan zielen binnen te halen die ik in
overvloed zie klaar liggen (vgl. Mt 9,37-38). Graag wil ik herinneren aan
hetgeen ik schreef in Redemptoris missio: "God opent voor de Kerk
de horizonten van een mensheid die meer voorbereid is op de uitzaaiing van het
evangelie." 34 Het perspectief van een nieuwe en veelbelovende
horizon zie ik in Azië in vervulling gaan, waar Jezus werd geboren en het
christendom zijn aanvang nam.
|