20. De Kerk in Azië is zeer gaarne tot verkondiging bereid, want ze weet
dat "er door de werking van de Geest in de afzonderlijke personen en in de
volkeren reeds een, wellicht onbewust, verlangen is om de waarheid te kennen
over God, over de mens en over de weg die naar de bevrijding uit zonde en dood
leidt".68 Dit benadrukken van de verkondiging komt niet voort uit
sektarische aandrift of uit een geest van proselytisme, en evenmin uit een
soort superioriteitsgevoel. De Kerk verkondigt het evangelie uit gehoorzaamheid
aan het gebod van Christus, wetend dat iedere mens er recht op heeft, de Blijde
Boodschap te vernemen van God, die zich in Christus openbaart en schenkt.
69 Getuigenis afleggen van Jezus Christus is de grootste dienst die de
Kerk aan de volkeren van Azië kan bieden, want dit beantwoordt aan hun diepe
verlangen naar wat volkomen is, en ontsluiert voor hen waarheden en waarden die
een waarborg zijn voor hun gehele ontwikkeling als mens.
Terwijl de Kerk diep beseft hoe ingewikkeld het probleem is van de zo
uiteenlopende situaties in Azië, en zij "de waarheid spreekt in
liefde" (Ef 4,15) verkondigt de Kerk de Blijde Boodschap met warme
hoogachting en respect voor hen die ernaar luisteren. Verkondiging die het
recht van de gewetens eerbiedigt is geen aantasting van de vrijheid, want het
geloof vereist steeds een vrij antwoord van de kant van de mensen. 70
Maar eerbiediging ontslaat niet van de plicht, het evangelie uitdrukkelijk en
volledig te verkondigen. Waar er met name in Azië een zo grote
verscheidenheid aan culturen en godsdiensten is, dient men te beseffen dat
"noch de eerbied en het respect voor die godsdiensten noch de
ingewikkeldheid van de problemen de Kerk ertoe kunnen brengen de boodschap van
Jezus Christus voor de niet-christenen te verzwijgen".71 Bij mijn
bezoek aan India in 1986 heb ik duidelijk gesteld dat "de Kerk de andere
godsdiensten met waarachtig respect tegemoet treedt … Dit respect heeft twee
kanten: respect voor de mens bij zijn zoeken naar een antwoord op zijn diepste
levensvragen, en respect voor het werken van de Geest in de mens."
72 Inderdaad hebben de synodevaders gaarne het werken erkend van de
Geest in de Aziatische samenlevingen, culturen en godsdiensten waardoorheen de
Vader de harten van Azië’s volkeren voorbereidt op de volheid van leven in
Christus. 73
Reeds voordat de bisschoppen van Azië als voorbereiding op de
Synode geraadpleegd werden, hebben velen van hen gewezen op de moeilijkheden
om het geloof in Jezus als enige Heiland te verkondigen. Tijdens de
Vergadering werd de situatie als volgt beschreven: "Zonder enig probleem
aanvaarden sommigen onder de aanhangers van de grote Aziatische godsdiensten
Jezus als manifestatie van de Godheid of van het Absolute, of als een ‘verlicht
wezen’. Maar zij vinden het moeilijk Hem te beschouwen als de enige
manifestatie van de Godheid." 74 Inderdaad gaat het streven om te
doen delen in de gave van het geloof in Jezus als enige Heiland, gepaard met
allerlei filosofische, culturele en theologische moeilijkheden, met name gezien
de geloofsovertuiging van de grote godsdiensten in Azië, die nauw
samenhangt met culturele waarden en met een bepaald zicht op de wereld.
Volgens de synodevaders wordt de moeilijkheid nog versterkt doordat men
Jezus vaak ziet als een vreemdeling in Azië. Het is een paradox dat veel
Aziaten geneigd zijn om Jezus die op Aziatische bodem is geboren, meer als een
Westerling dan als een Aziatische figuur te beschouwen. Onvermijdelijk stond de
verkondiging door missionarissen uit het Westen sterk onder invloed van de
cultuur waaruit zij afkomstig waren, en het valt niet te ontkennen dat hun werk
soms gepaard ging met een zekere bekrompenheid van geest, met een verdedigende
houding en met gebrek aan tact. De synodevaders hebben dit geconstateerd als
een feit dat in de geschiedenis van de verkondiging verdisconteerd moet worden,
en ze hebben de missionarissen niet botweg veroordeeld vanwege de
"Westerse gestalte" van Jezus. Tegelijk hebben ze de gelegenheid te
baat genomen om "op heel bijzondere wijze hun dank uit te spreken jegens alle
mannelijke en vrouwelijke, uit het buitenland afkomstige of inheemse
missionarissen, religieuzen en leken, die de boodschap van Jezus Christus en de
gave van het geloof zijn komen brengen. Ook moet speciale dankbaarheid worden
uitgesproken jegens alle Kerken die missionarissen naar Azië hebben
uitgezonden en dit nog steeds doen." 75
De verkondigers van het evangelie kunnen steunen op de ervaring van
Paulus die in gesprek ging met de filosofische, culturele en godsdienstige
waarden van zijn toehoorders (vgl. Hnd 14,13-17; 17,22-31). Ook de grote
oecumenische Concilies van de Kerk hebben zich bij het formuleren van de
geloofsleer moeten bedienen van de taalkundige, filosofische en culturele
middelen die hun ten dienste stonden. Deze middelen worden vervolgens het bezit
van de gehele Kerk en stellen haar in staat om haar christologische leer op
geschikte en universele wijze te verwoorden. Ze zijn een wezenlijk onderdeel
van het geloofsgoed dat men zich dient eigen te maken en dat men constant in de
ontmoetingen met de verschillende culturen moet doorgeven. 76 Niettemin
is het een enorme uitdaging om Jezus zó te verkondigen dat de volkeren
van Azië zich in Hem kunnen herkennen terwijl ze zowel aan de theologische
leer van de Kerk en tegelijk ook aan hun Aziatische afkomst trouw blijven.
Wil men Jezus voorhouden als enige Heiland, dan dient men een zodanige pedagogie
te hanteren dat de mensen stap voor stap ertoe gebracht worden zich het
mysterie eigen te maken. Het is duidelijk dat de eerste evangelisatie van
niet-christenen, en in tweede instantie, de verkondiging van Jezus aan
gelovigen, op verschillende wijzen dient te worden aangepakt. In de eerste
evangelisatie kan bijvoorbeeld "Jezus worden voorgehouden als de
vervulling van de verlangens die in de mythologieën en in folklore van de
Aziatische volkeren hun neerslag hebben gevonden".77 In het
algemeen verdienen de verhalende methodes de voorkeur; daarmee zijn Aziatische
cultuurvormen vertrouwd. De verkondiging van Jezus Christus kan doeltreffender
gebeuren als men Zijn levensgang vertelt zoals het evangelie dit doet. De
ontologische begrippen, die bij het spreken over Jezus altijd voorondersteld en
uitgesproken moeten worden, kunnen vergezeld gaan van meer relationele,
historische en zelfs kosmische perspectieven. Met de woorden van de
synodevaders: "de Kerk moet openstaan voor nieuwe en verrassende manieren
waarop het gelaat van Christus in Azië getoond kan worden."
78
De Synode geeft als aanbeveling dat de toekomstige vormen van catechese
"een beeldende didactiek volgen welke gebruik maakt van verhalen, parabels
en symbolen die zo kenmerkend zijn voor de Aziatische methode van
onderricht".79 Jezus’ eigen optreden toont duidelijk aan hoe
belangrijk persoonlijk contact is; deze vraagt van de
evangelieverkondiger zich in te leven in de situatie van de toehoorder, zijn
verkondiging aan te passen aan diens rijpheidsniveau, en zich te bedienen van
geschikte methodes en taalgebruik. In dit verband hebben de synodevaders herhaaldelijk
gewezen op de noodzaak het evangelie te verkondigen op een manier die rekening
houdt met de gevoeligheden van de Aziatische volkeren, en voor Jezus beelden te
gebruiken die verstaanbaar zijn voor de Aziatische mentaliteit en cultuur, en
tegelijk trouw zijn aan de Heilige Schrift en de Traditie. Als dergelijke
beelden noemden zij: "Jezus Christus als Leraar der Wijsheid, Geneesheer,
Bevrijder, Geestelijke Leidsman, Verlicht Persoon, meevoelende Vriend van de
armen, Barmhartige Samaritaan, Goede Herder, de Gehoorzame." 80
Jezus zou moeten worden voorgehouden als mensgeworden Wijsheid van God waarvan
de genade de "kiemen" van de goddelijke Wijsheid doet rijpen die
reeds aanwezig zijn in het leven, de godsdiensten en bij de volkeren van
Azië. 81 Waar de volkeren van Azië zoveel leed te verduren
hebben, zou het goed zijn Hem te verkondigen als de Redder "die zin kan
geven aan allen die onzegbaar veel leed en pijn te verduren
hebben".82
Het geloof dat de Kerk aan haar zonen en dochters van Azië als een
gave schenkt, mag niet beperkt blijven binnen de grenzen van het verstaan en de
vormgeving van een bepaalde menselijke cultuur; het geloof overstijgt immers
deze twee, en wekt in feite iedere cultuur op om op te klimmen tot nieuwe
hoogten van verstaan en vormgeving. Tegelijk beseften de synodevaders heel goed
dat het voor de plaatselijke Kerken in Azië een gebiedende eis is, het
Christusgeheim aan hun volkeren zo voor te houden dat hun culturele criteria en
wijze van denken daarbij meespelen. Ook benadrukten zij dat deze inculturatie
van het geloof op het continent moet leiden tot de herontdekking van het
Aziatisch gelaat van Jezus, en dat men dankzij deze inculturatie wegen moet
vinden om de Aziatische culturen de universele en heilbrengende betekenis te
doen begrijpen van het mysterie van Jezus en van zijn Kerk. 83 Het
scherpe inzicht in volkeren en culturen waarvan, om maar enkelen te noemen,
mensen als Giovanni da Montecorvino, Matteo Rici en Roberto de Nobili zo
voorbeeldig blijk hebben gegeven, moet in onze tijd een nieuwe impuls krijgen.
De uitdaging van de inculturatie
|