24. Voorzien vanaf het begin van de wereld, voorbereid in het Oude
Testament, gesticht door Christus Jezus en op de Pinksterdag in de wereld
tegenwoordig gesteld door de heilige Geest, zet de Kerk overeenkomstig het
eeuwig plan van God "dwars door de vervolgingen van de kant van de wereld
en de vertroostingen van de kant van God heen haar pelgrimstocht
voort",113 terwijl ze op weg is naar de voltooiing in de hemelse
heerlijkheid. Omdat God verlangt dat "heel het menselijk geslacht
één volk van God vormt, tot één lichaam van
Christus samengroeit en tot één tempel van de heilige Geest wordt
opgebouwd"114 is de Kerk in de wereld "het zichtbare teken
van de liefde van God voor de mensheid, het sacrament der
redding".115 Ze mag dus niet louter als een maatschappelijke
organisatie of een instantie van maatschappelijk hulpbetoon worden beschouwd.
Hoewel ze uit zondige mensen bestaat, moet ze worden gezien als de plaats bij
uitstek waar God de mens ontmoet, waar Hij het geheim van zijn intieme leven
wil openbaren en waar Hij zijn heilsplan voor de wereld ten uitvoer brengt.
Het geheim van Gods liefdesplan wordt aanwezig gesteld en ontplooit zich
in de gemeenschap van de mannen en vrouwen die met Christus door het doopsel in
de dood zijn begraven, zodat ook zij, zoals Christus door de heerlijkheid van
de Vader uit de doden is opgestaan, een nieuw leven kunnen leiden (vgl. Rom 6,4).
Centraal in het mysterie van de Kerk staat de band van communio die Christus de
Bruidegom verenigt met alle gedoopten. Vanwege deze levende en levenwekkende
liefdesband "behoren de christenen niet zichzelf toe, maar zijn eigendom
van Christus".116 Met de Zoon verenigd door de liefdesband van de
Geest, zijn ze verenigd met de Vader, en uit deze gemeenschap vloeit de
onderlinge gemeenschap voort die ze door Christus in de heilige Geest met
elkaar delen. 117 Het eerste doel van de Kerk is dus sacrament te zijn
van de intieme vereniging van de mens met God, en omdat de onderlinge
verbondenheid van mensen geworteld is in de vereniging met God, is de Kerk ook
het sacrament van de eenheid van het menselijk geslacht. 118 In
haar heeft deze eenheid reeds een aanvang genomen; tegelijkertijd is de Kerk
"teken en instrument" van de volledige verwezenlijking van deze
eenheid die nog moet komen. 119
Het is een wezenlijke eis van het leven in Christus dat alwie met de
Heer een liefdesband aangaat, vrucht moet dragen: "Alleen wie met Mij
verbonden blijft – zoals Ik met hem – draagt rijkelijk vrucht" (Joh 15,5);
dit is temeer waar, omdat wie geen vrucht draagt, niet met Hem verbonden
blijft: "als één van mijn ranken geen vrucht draagt snoeit [de
Vader] die weg" (Joh 15,2). Verbondenheid met Jezus, die de bron is van de
onderlinge gemeenschap van de christenen met elkaar, is absolute voorwaarde om
vrucht te dragen; en de gemeenschap met de anderen, gave van Christus en van de
Geest, is de schoonste vrucht die de ranken kunnen voortbrengen. In die zin
zijn communio en missie onafscheidelijk met elkaar verbonden; ze
"doordringen elkaar en sluiten elkaar in, zozeer dat de gemeenschap
tegelijk de bron en de vrucht van de zending vormt: de gemeenschap is
missionair en de zending is voor de gemeenschap".120
Uitgaande van de theologie over de communio heeft het Tweede Vaticaans
Concilie de Kerk kunnen beschrijven als het pelgrimerende volk van God, waarmee
in zekere zin alle volkeren verbonden zijn. 121 Daarvan uitgaande
hebben de synodevaders de mysterievolle band benadrukt tussen de Kerk en de
aanhangers van de andere godsdiensten in Azië, en opgemerkt dat "deze
op verschillende wijzen en in verschillende mate met haar [de Kerk] in betrekking
staan".122 Onder zo uiteenlopende volkeren, culturen en
godsdiensten is "het leven van de Kerk als gemeenschap uiterst
belangrijk".123 Inderdaad is de dienst der eenheid van de Kerk van
bijzonder belang in Azië waar zoveel spanningen, verdeeldheden en
conflicten zijn tengevolge van de verschillen op etnisch gebied en op het
gebied van maatschappij, cultuur, economie, taal en godsdienst. In een
dergelijke complexe situatie is het noodzakelijk dat de plaatselijke kerken in
Azië, in verbondenheid met Petrus’ opvolger, nauwer met elkaar
samenwerken, en zo een diepere eenheid van geest en hart bevorderen. Ook de
betrekkingen met de andere kerken en christelijke kerkelijke gemeenschappen
alsmede met de aanhangers van de andere godsdiensten zijn voor haar
evangelisatieopdracht van vitaal belang. 124 Met nieuw elan wil daarom
volgens de Synode de Kerk in Azië zich wijden aan haar opdracht om zowel
haar oecumenische betrekkingen als de interreligieuze dialoog te verbeteren, in
het besef dat het bouwen aan de eenheid, het werken aan verzoening, het
aanknopen van banden van solidariteit, het bevorderen van de dialoog tussen
godsdiensten en culturen, het wegnemen van vooroordelen en het wekken van
vertrouwen onder volkeren van wezenlijk belang zijn voor de
evangelisatieopdracht van de Kerk op het continent. Dat alles vraagt van de
katholieke gemeenschap een oprecht gewetensonderzoek, de moed om te streven
naar verzoening en een hernieuwde betrokkenheid bij de dialoog. Op de vooravond
van het derde millennium is het duidelijk dat, wil de Kerk in staat zijn het
evangelie te verkondigen, men met kracht ernaar moet streven de eenheid in haar
volle omvang te dienen, aangezien onderlinge gemeenschap en missie hand in hand
gaan.
Onderlinge eenheid in de Kerk
|