Table of Contents | Words: Alphabetical - Frequency - Inverse - Length - Statistics | Help | IntraText Library
Alphabetical    [«  »]
emadabus 1
emeruth 1
emmer 1
en 1019
én 1
enasis 1
enenius 1
Frequency    [«  »]
-----
-----
-----
1019 en
901 de
423 van
219 het

Het derde boek Ezra

IntraText - Concordances

en

1-500 | 501-1000 | 1001-1019

     Chapter, Verse
1 1, 1 | 1 EN Josia hield zijn Here het 2 1, 1 | het Pascha te Jeruzalem, en slachtte het Pascha op de 3 1, 2 | 2 En stelde de priesters, die 4 1, 3 | 3 En hij zeide tot de Levieten, 5 1, 4 | 4 En zeide: Gij moogt deze niet 6 1, 4 | op de schouders dragen. En nu: dient de Here uw God, 7 1, 4 | nu: dient de Here uw God, en hebt acht op Israël zijn 8 1, 4 | acht op Israël zijn volk, en bereidt alles naar uw geslachten 9 1, 4 | alles naar uw geslachten en stammen.~ 10 1, 5 | Davids; de koning Israëls, en naar de heerlijke instelling 11 1, 5 | instelling Salomo's, zijn zoon; en staat in het heiligdom naar 12 1, 6 | 6 En slacht ordelijk het Pascha, 13 1, 6 | slacht ordelijk het Pascha, en bereidt de offeranden voor 14 1, 6 | offeranden voor uw broederen; en houdt het Pascha naar het 15 1, 7 | 7 En Josia schonk het volk, dat 16 1, 7 | dertigduizend lammeren en bokken, en drieduizend kalveren.~ 17 1, 7 | dertigduizend lammeren en bokken, en drieduizend kalveren.~ 18 1, 8 | zijn belofte, aan het volk en aan de priesters en de Levieten 19 1, 8 | volk en aan de priesters en de Levieten gegeven.~ 20 1, 9 | 9 Doch Chelkia, en Zacharia, en Suëlus, die 21 1, 9 | Doch Chelkia, en Zacharia, en Suëlus, die Oversten des 22 1, 9 | tweeduizendzeshonderd schapen, en driehonderd kalveren. Maar 23 1, 9 | kalveren. Maar Jechonia, en Semea, en Nathanaël zijn 24 1, 9 | Maar Jechonia, en Semea, en Nathanaël zijn broeder, 25 1, 9 | Nathanaël zijn broeder, en Hasabia en Ochiël en Joram, 26 1, 9 | zijn broeder, en Hasabia en Ochiël en Joram, overste 27 1, 9 | broeder, en Hasabia en Ochiël en Joram, overste over duizend, 28 1, 9 | Pascha vijfduizend schapen, en zevenhonderd kalveren.~ 29 1, 10| 10 En als deze dingen naar behoren 30 1, 10| zo stonden de priesters en Levieten, hebbende de ongehevelde 31 1, 10| broden naar hun stammen, en naar de verdeling van de 32 1, 11| van Mozes geschreven was, en alzo geschiedde het vroegoffer.~ 33 1, 12| 12 En zij braadden het Pascha 34 1, 12| vuur, gelijk het behoorde, en offeranden kookten zij in 35 1, 12| kookten zij in koperen ketels en potten, met goede reuk;~ 36 1, 13| 13 En brachten het voor al het 37 1, 13| bereidden zij dat voor zichzelf, en voor de priesters, hun broederen, 38 1, 14| totdat de tijd verliep; en de Levieten bereidden het 39 1, 14| bereidden het voor zichzelf, en voor de priesters, hun broederen, 40 1, 15| 15 En de heilige Zangers, de kinderen 41 1, 15| verordineerd had, daartoe Asaf, en Zacharia, en Jeduthun, die 42 1, 15| daartoe Asaf, en Zacharia, en Jeduthun, die door de koning 43 1, 16| 16 En de deurwachters stonden 44 1, 16| deurwachters stonden aan elke deur; en niemand mocht van zijn dagorde 45 1, 18| Om het Pascha te houden, en offeranden te brengen op 46 1, 19| 19 En de kinderen Israëls, die 47 1, 19| werden, hielden het Pascha, en het feest der ongehevelde 48 1, 20| 20 En daar is zodanig Pascha niet 49 1, 21| 21 En geen koning Israëls heeft 50 1, 21| als Josia gehouden heeft, en de priesters en de Levieten, 51 1, 21| gehouden heeft, en de priesters en de Levieten, en de Joden 52 1, 21| priesters en de Levieten, en de Joden en geheel Israël, 53 1, 21| de Levieten, en de Joden en geheel Israël, hetwelk bevonden 54 1, 23| 23 En de werken van Josia zijn 55 1, 24| 24 En wat zijn zaken aanbelangt, 56 1, 24| hen, die gezondigd hebben, en goddeloosheid bedreven hebben 57 1, 24| Here, meer dan enig volk en koninkrijk, en die hem bedroefd 58 1, 24| enig volk en koninkrijk, en die hem bedroefd hebben; 59 1, 24| die hem bedroefd hebben; en de woorden des Heren zijn 60 1, 25| 25 En na al deze daden van Josia, 61 1, 25| koning van Egypte kwam, en oorlog verwekte te Karchamis 62 1, 25| bij de Eufraat gelegen; en Josia trok uit hem tegemoet.~ 63 1, 26| 26 En de koning van Egypte zond 64 1, 27| krijg is op de Eufraat; en nu, de Here is bij mij, 65 1, 27| nu, de Here is bij mij, en de Here is haastig bij mij; 66 1, 27| mij; wend u af van mij, en stel u niet tegen de Here.~ 67 1, 28| 28 En Josia keerde zijn wagen 68 1, 29| hem in het veld Megiddo, en de oversten kwamen af tegen 69 1, 30| 30 En de koning zeide tot zijn 70 1, 30| want ik ben zeer zwak. En zijn knechten voerden hem 71 1, 31| 31 En hij klom op zijn tweede 72 1, 31| klom op zijn tweede wagen, en als hij te Jeruzalem wedergebracht 73 1, 31| legde hij het leven af, en werd begraven in zijn vaderlijk 74 1, 32| 32 En in geheel Juda treurden 75 1, 32| treurden zij over Josia, en Jeremia, de profeet beklaagde 76 1, 32| profeet beklaagde Josia, en de voornaamsten met hun 77 1, 32| beklaagden hem tot op deze dag; en daar is een bevel uitgegeven, 78 1, 33| geschiedenissen der koningen van Juda; en van elk der daden van Josia 79 1, 33| die door hem zijn gedaan, en van zijn heerlijkheid, en 80 1, 33| en van zijn heerlijkheid, en van zijn wetenschap in de 81 1, 33| wetenschap in de wet des Heren. En hetgeen tevoren door hem 82 1, 33| tevoren door hem gedaan was, en hetgeen nu geschied is, 83 1, 33| van de koningen van Israël en Juda.~ 84 1, 34| 34 En het volk nam Joachas, de 85 1, 34| Joachas, de zoon van Josia, en maakte hem tot koning in 86 1, 35| 35 En hij was koning in Israël 87 1, 35| hij was koning in Israël en Jeruzalem drie maanden. 88 1, 35| Jeruzalem drie maanden. En de koning van Egypte zette 89 1, 36| 36 En legde het volk een geldstraf 90 1, 36| honderd talenten zilvers, en een talent gouds.~ 91 1, 37| 37 En de koning van Egypte stelde 92 1, 37| Jojakim tot koning over Juda en Jeruzalem;~ 93 1, 38| 38 En verplichte Jojakim en de 94 1, 38| 38 En verplichte Jojakim en de groten aan zich; maar 95 1, 38| broeder Saracus nam hij, en bracht hem weder in Egypte.~ 96 1, 39| hij koning werd over Judea en Jeruzalem, en deed wat kwaad 97 1, 39| over Judea en Jeruzalem, en deed wat kwaad was voor 98 1, 40| de koning van Babylon, en bond hem met een metalen 99 1, 40| hem met een metalen band, en voerde hem weg naar Babylonië.~ 100 1, 41| 41 En Nabuchodonosor nam van de 101 1, 41| heilige vaten des Heren, en bracht ze weg, en zette 102 1, 41| Heren, en bracht ze weg, en zette die in zijn tempel 103 1, 42| Het verhaal nu van hem, en van zijn onreinheid en goddeloosheid 104 1, 42| en van zijn onreinheid en goddeloosheid staat beschreven 105 1, 43| 43 En Joakim zijn zoon, werd koning 106 1, 43| werd koning in zijn plaats, en hij was achttien jaren oud 107 1, 44| 44 En regeerde drie maanden en 108 1, 44| En regeerde drie maanden en tien dagen te Jeruzalem, 109 1, 44| tien dagen te Jeruzalem, en deed dat kwaad was voor 110 1, 45| 45 En na een jaar schikte Nabuchodonosor, 111 1, 45| schikte Nabuchodonosor, en liet hem brengen naar Babylon, 112 1, 46| 46 En maakte Zedekia koning over 113 1, 46| Zedekia koning over Judea en Jeruzalem; die was eenentwintig 114 1, 46| eenentwintig jaren oud, en regeerde elf jaren;~ 115 1, 47| 47 En deed dat kwaad was voor 116 1, 47| kwaad was voor de Here; en vreesde niet voor de woorden, 117 1, 48| 48 En hoewel hij een eed gedaan 118 1, 48| Heren, zo werd hij meinedig, en viel van hem af, en hij 119 1, 48| meinedig, en viel van hem af, en hij verhardde zijn nek, 120 1, 48| hij verhardde zijn nek, en zijn hart, en overtrad de 121 1, 48| zijn nek, en zijn hart, en overtrad de inzettingen 122 1, 49| 49 En ook de oversten des volks 123 1, 49| ook de oversten des volks en der priesters bedreven vele 124 1, 49| onreinheden van al de heidenen, en bevlekten de tempel des 125 1, 50| 50 En de God hunner vaderen zond 126 1, 50| hij hen zou verschonen, en zijn woning.~ 127 1, 51| zij bespotten zijn boden, en op de dag dat de Here tot 128 1, 53| van hun heilige tempel, en spaarden noch jongeling, 129 1, 54| hen allen in hun handen, en al de heilige vaten des 130 1, 54| heilige vaten des Heren groot en klein, en de ark des Heren, 131 1, 54| des Heren groot en klein, en de ark des Heren, en de 132 1, 54| klein, en de ark des Heren, en de koninklijke schatkisten 133 1, 54| koninklijke schatkisten namen zij en voerden die naar Babylon.~ 134 1, 55| 55 En verbrandden het huis des 135 1, 55| verbrandden het huis des Heren, en braken de muren van Jeruzalem, 136 1, 55| de muren van Jeruzalem, en haar torens verbrandden 137 1, 55| verbrandden zij met vuur, en alles wat in haar heerlijk 138 1, 56| 56 En degenen, die overig waren 139 1, 57| 57 En zij waren zijn en zijner 140 1, 57| 57 En zij waren zijn en zijner kinderen dienstknechten, 141 1, 58| Sabbatten een welbehagen had, en al de tijd van zijn verwoesting 142 2, 2 | geheel zijn koninkrijk, en mede door schriften, zeggende:~ 143 2, 4 | 4 En heeft mij bevolen, dat ik 144 2, 5 | volk, de Here zij met hem, en hij trekke op naar Jeruzalem 145 2, 5 | naar Jeruzalem in Judea, en bouwe het huis des Heren 146 2, 6 | omtrent die plaatsen wonen, en in die plaats zijn,~ 147 2, 7 | zullen hem helpen, met goud en met zilver, en gaven; met 148 2, 7 | met goud en met zilver, en gaven; met paarden, en lastdieren, 149 2, 7 | en gaven; met paarden, en lastdieren, en met andere 150 2, 7 | paarden, en lastdieren, en met andere dingen, die men 151 2, 8 | vaderlijke stammen van Juda en Benjamin, en de priesters 152 2, 8 | stammen van Juda en Benjamin, en de priesters en Levieten, 153 2, 8 | Benjamin, en de priesters en Levieten, en al degenen, 154 2, 8 | de priesters en Levieten, en al degenen, wier geest God 155 2, 8 | verwekte om op te trekken, en het huis des Heren te Jeruzalem 156 2, 9 | 9 En die rondom hen waren, hielpen 157 2, 9 | allerlei dingen, met zilver en met goud, met paarden, en 158 2, 9 | en met goud, met paarden, en lastdieren, en met zeer 159 2, 9 | paarden, en lastdieren, en met zeer vele gewillige 160 2, 10| 10 En de koning Cyrus bracht tevoorschijn 161 2, 10| van Jeruzalem weggevoerd, en in zijn afgoden-tempel gezet 162 2, 11| 11 En Cyrus, de koning der Perzen, 163 2, 12| 12 En door deze werden zij overgeleverd 164 2, 13| tweeduizendvierhonderdendertig zilveren bekers, en andere vaten tot duizend.~ 165 2, 15| 15 En deze zijn wedergebracht 166 2, 16| tegen degenen die in Judea en te Jeruzalem woonden, Belemus 167 2, 16| Jeruzalem woonden, Belemus en Mithridates, en Tabellius, 168 2, 16| Belemus en Mithridates, en Tabellius, en Rathymus en 169 2, 16| Mithridates, en Tabellius, en Rathymus en Balthemus en 170 2, 16| en Tabellius, en Rathymus en Balthemus en Samellius de 171 2, 16| en Rathymus en Balthemus en Samellius de schrijver, 172 2, 16| Samellius de schrijver, en de overigen die met hen 173 2, 16| hen verordineerd waren, en te Samarië en in andere 174 2, 16| verordineerd waren, en te Samarië en in andere plaatsen woonden, 175 2, 17| over de voorvallende zaken, en Samellius de schrijver, 176 2, 17| Samellius de schrijver, en de anderen van hun raad, 177 2, 17| de anderen van hun raad, en rechters, die in Celo-Syrië 178 2, 17| rechters, die in Celo-Syrië en Fenicië zijn;~ 179 2, 18| u tot ons wedergekeerd, en aangekomen zijn te Jeruzalem, 180 2, 18| Jeruzalem, een stad die afvallig en boos is, hun straten bouwen, 181 2, 18| is, hun straten bouwen, en hun muren herstellen, en 182 2, 18| en hun muren herstellen, en de tempel weder oprichten.~ 183 2, 19| deze stad opgebouwd wordt, en haar muren voltooid worden, 184 2, 22| 22 En gij zult in de gedenkboeken, 185 2, 22| daarover geschreven, vinden, en verstaan, dat die stad afvallig 186 2, 22| dat die stad afvallig was, en aan koningen en steden moeite 187 2, 22| afvallig was, en aan koningen en steden moeite veroorzaakt 188 2, 23| 23 En dat de Joden daarin zich, 189 2, 23| ouds af, altijd afvallig en oproerig hebben aangesteld; 190 2, 24| stad weder gebouwd wordt, en haar muren weder opgericht, 191 2, 24| zult hebben in Celo-Syrië en Fenicië.~ 192 2, 25| voorvallende zaken gesteld was, en aan Balthemus, en aan Samellius, 193 2, 25| gesteld was, en aan Balthemus, en aan Samellius, de schrijver, 194 2, 25| Samellius, de schrijver, en aan de anderen, die met 195 2, 25| hen verordineerd waren, en in Samarië en Syrië en Fenicië 196 2, 25| verordineerd waren, en in Samarië en Syrië en Fenicië woonden, 197 2, 25| en in Samarië en Syrië en Fenicië woonden, hetgeen 198 2, 26| gezonden hebt, gelezen, en heb daarop bevolen onderzoek 199 2, 26| bevolen onderzoek te doen, en daar is bevonden, dat deze 200 2, 27| 27 En dat de lieden afvallig geweest 201 2, 27| lieden afvallig geweest zijn, en oorlogen daarin gevoerd 202 2, 27| oorlogen daarin gevoerd hebben, en dat te Jeruzalem machtige 203 2, 27| dat te Jeruzalem machtige en strenge koningen hebben 204 2, 27| schattingen aan die van Celo-Syrië en Fenicië opgelegd hebben.~ 205 2, 28| verhinderen hun stad te bouwen; en dat men daarop acht hebbe, 206 2, 29| 29 En dat de boosheid niet verder 207 2, 30| gelezen, zo spanden Rathymus, en Samellius de schrijver en 208 2, 30| en Samellius de schrijver en die met hen verordineerd 209 2, 30| verordineerd waren tezamen, en trokken met haast naar Jeruzalem, 210 2, 30| met een leger van ruiters en voet volk.~ 211 2, 31| 31 En begonnen degenen, die daar 212 3, 1 | 1 EN Darius, koning zijnde, maakte 213 3, 1 | degenen die onder hem stonden, en voor al zijn huisgenoten, 214 3, 1 | voor al zijn huisgenoten, en voor al de groten van Medië 215 3, 1 | voor al de groten van Medië en Perzië;~ 216 3, 2 | 2 En voor al zijn vorsten, en 217 3, 2 | En voor al zijn vorsten, en krijgsoversten, en oversten 218 3, 2 | vorsten, en krijgsoversten, en oversten der landen, die 219 3, 3 | 3 En als zij gegeten en gedronken 220 3, 3 | 3 En als zij gegeten en gedronken hadden, en wel 221 3, 3 | gegeten en gedronken hadden, en wel verzadigd waren, keerden 222 3, 3 | weder in zijn slaapkamer, en viel in slaap, en ontwaakte 223 3, 3 | slaapkamer, en viel in slaap, en ontwaakte weder.~ 224 3, 4 | konings lijfwacht waren, en hem bewaarden, de een tot 225 3, 5 | zeggen, WIE DE STERKSTE IS; en wiens woord wijzer zal schijnen 226 3, 5 | koning Darius grote giften en grote overwinningstekenen 227 3, 6 | met purper doen kleden, en uit gouden vaten doen drinken, 228 3, 6 | gouden vaten doen drinken, en op gouden koetsen doen slapen, 229 3, 6 | gouden koetsen doen slapen, en zal hem een wagen geven, 230 3, 6 | gouden tomen wordt getrokken, en een hoed van fijne zijde, 231 3, 6 | een hoed van fijne zijde, en een keten om zijn hals;~ 232 3, 7 | 7 En hij zal de tweede naast 233 3, 7 | zitten vanwege zijn wijsheid, en zal een bloedvriend van 234 3, 8 | ieder zijn eigen spreuk, en verzegelde die, en legde 235 3, 8 | spreuk, en verzegelde die, en legde ze onder het oorkussen 236 3, 9 | 9 En zeide, wanneer de koning 237 3, 9 | hem het geschrift geven; en van wie de koning en de 238 3, 9 | geven; en van wie de koning en de drie oversten van Perzië 239 3, 13| 13 En als de koning opgestaan 240 3, 13| namen zij het geschrift, en gaven het hem, en hij las 241 3, 13| geschrift, en gaven het hem, en hij las het.~ 242 3, 14| 14 En uitgezonden hebbende liet 243 3, 14| al de groten van Perzië en Medië, en de vorsten, en 244 3, 14| groten van Perzië en Medië, en de vorsten, en de krijgsoversten, 245 3, 14| en Medië, en de vorsten, en de krijgsoversten, en oversten 246 3, 14| vorsten, en de krijgsoversten, en oversten der landen, en 247 3, 14| en oversten der landen, en de burgemeesters.~ 248 3, 15| 15 En hij zette zich neder in 249 3, 15| zich neder in zijn Raad, en het geschrift werd voor 250 3, 15| geschrift werd voor hen gelezen en hij zeide:~ 251 3, 16| 16 Roept de jongelingen, en laat henzelf hun redenen 252 3, 16| henzelf hun redenen verklaren; en zij werden geroepen, en 253 3, 16| en zij werden geroepen, en kwamen binnen, en zij zeiden 254 3, 16| geroepen, en kwamen binnen, en zij zeiden tot hen:~ 255 3, 18| 18 En de eerste begon, die van 256 3, 18| des wijns gesproken had, en zeide aldus:~ 257 3, 20| verstand des dienstknechts en des vrijen, het verstand 258 3, 20| het verstand des armen en des rijken;~ 259 3, 21| 21 En hij verandert alle verstand 260 3, 21| alle verstand in vreugde en vrolijkheid, en hij gedenkt 261 3, 21| vreugde en vrolijkheid, en hij gedenkt aan geen droefheid, 262 3, 21| gedenkt aan geen droefheid, en aan geen schuld;~ 263 3, 22| maakt alle harten rijk, en gedenkt niet aan de koning 264 3, 22| aan de koning of vorst, en hij maakt dat een ieder 265 3, 23| vriendelijk te zijn de vrienden en broeders, en trekken kort 266 3, 23| de vrienden en broeders, en trekken kort daarna de zwaarden 267 3, 24| 24 En als zij van de wijn opgestaan 268 3, 25| hij dit dwingt te doen? En hij zweeg stil, als hij 269 4, 1 | de sterkte des konings, en zeide:~ 270 4, 2 | de sterkste, die het land en de zee bemachtigen, en alles 271 4, 2 | land en de zee bemachtigen, en alles wat daarin is?~ 272 4, 3 | 3 De koning nu overtreft en overheerst die, en regeert 273 4, 3 | overtreft en overheerst die, en regeert die, en alles wat 274 4, 3 | overheerst die, en regeert die, en alles wat hij hun zegt, 275 4, 4 | oorlog aandoen, zij doen het; en indien hij uitzendt tegen 276 4, 4 | zij slechten de bergen, en de muren, en de torens;~ 277 4, 4 | de bergen, en de muren, en de torens;~ 278 4, 5 | 5 Zij slaan dood, en worden dood geslagen, en 279 4, 5 | en worden dood geslagen, en het woord des konings zullen 280 4, 5 | zullen zij niet overtreden; en indien zij overwinnen zo 281 4, 5 | wat zij geroofd hebben en alle andere dingen.~ 282 4, 6 | 6 En allen die in de krijg niet 283 4, 6 | wanneer ze gezaaid hebben, en nu maaien, zo brengen zij 284 4, 6 | zij de koning schatting; en de een dwingt de ander om 285 4, 10| 10 En al zijn volk, en zijn heerlegers 286 4, 10| 10 En al zijn volk, en zijn heerlegers zijn hem 287 4, 11| wacht ringswijze rondom hem, en niemand durft weggaan, noch 288 4, 11| zijn eigen werken doen, en zijn hem niet ongehoorzaam.~ 289 4, 12| die men alzo gehoorzaamt? en hij zweeg stil.~ 290 4, 13| derde, die van de vrouwen en van de waarheid had gezegd, 291 4, 15| koning ter wereld gebracht, en al het volk, dat de zee 292 4, 15| al het volk, dat de zee en de aarde regeert is uit 293 4, 16| 16 En zij hebben zelfs degenen 294 4, 17| 17 En zij zelf maken de kleding 295 4, 17| maken de kleding der mensen, en zij maken hetgeen heerlijk 296 4, 17| heerlijk is voor de mensen, en de mensen kunnen zonder 297 4, 18| 18 En indien zij goud en zilver 298 4, 18| 18 En indien zij goud en zilver en allerlei fraaie 299 4, 18| indien zij goud en zilver en allerlei fraaie zaken verzameld 300 4, 18| zaken verzameld hebben, en een vrouw zien die schoon 301 4, 18| die schoon is van gedaante en van gestalte,~ 302 4, 19| verlaten zij dat alles, en wenden de ogen op haar, 303 4, 19| wenden de ogen op haar, en met open mond aanschouwen 304 4, 19| mond aanschouwen zij haar; en hebben meer begeerte tot 305 4, 19| tot haar, dan tot het goud en het zilver en allerlei fraaiigheid.~ 306 4, 19| tot het goud en het zilver en allerlei fraaiigheid.~ 307 4, 20| die hem opgevoed heeft, en zijn eigen land, en hangt 308 4, 20| heeft, en zijn eigen land, en hangt zijn eigen vrouw aan.~ 309 4, 21| 21 En bij de vrouw laat hij zijn 310 4, 21| vrouw laat hij zijn leven; en gedenkt noch zijn vader, 311 4, 23| 23 En werkt gij niet, en arbeidt 312 4, 23| 23 En werkt gij niet, en arbeidt gij niet? en geeft 313 4, 23| niet, en arbeidt gij niet? en geeft gij niet alles, en 314 4, 23| en geeft gij niet alles, en brengt het aan de vrouw? 315 4, 23| een man neemt zijn zwaard, en gaat heen op de wegen te 316 4, 23| heen op de wegen te liggen, en te roven en te stelen, en 317 4, 23| wegen te liggen, en te roven en te stelen, en op de zee 318 4, 23| en te roven en te stelen, en op de zee en rivieren te 319 4, 23| te stelen, en op de zee en rivieren te varen;~ 320 4, 24| 24 En ziet een leeuw, en gaat 321 4, 24| 24 En ziet een leeuw, en gaat in duisternis; en wanneer 322 4, 24| en gaat in duisternis; en wanneer hij gestolen, en 323 4, 24| en wanneer hij gestolen, en geroofd, en gestroopt heeft, 324 4, 24| hij gestolen, en geroofd, en gestroopt heeft, zo brengt 325 4, 25| 25 En een man heeft zijn eigen 326 4, 25| vrouw liever dan zijn vader en zijn moeder.~ 327 4, 26| 26 En velen zijn van hun zinnen 328 4, 26| beroofd om der vrouwen wil, en zijn om harentwil tot slaven 329 4, 27| 27 En velen zijn omgekomen, en 330 4, 27| En velen zijn omgekomen, en zijn verworgd geworden, 331 4, 27| zijn verworgd geworden, en hebben gezondigd om der 332 4, 28| 28 En nu, gelooft gij mij niet? 333 4, 28| niet groot in zijn macht? en vrezen niet alle landen 334 4, 29| Nochtans heb ik hem gezien en Apame, de dochter des wondergroten 335 4, 30| 30 En zij nam de kroon van het 336 4, 30| zette die zichzelf op, en sloeg de koning met haar 337 4, 31| 31 En bovendien zag haar de koning 338 4, 31| koning met open mond aan, en indien zij hem aanlachte, 339 4, 31| aanlachte, zo lachte hij ook; en indien zij op hem gram werd, 340 4, 33| 33 Toen zagen de koning en de groten op elkander. En 341 4, 33| en de groten op elkander. En hij, begon te spreken van 342 4, 34| sterk! Groot is de aarde,. en hoog is de hemel, en snel 343 4, 34| aarde,. en hoog is de hemel, en snel in haar loop is de 344 4, 34| in de cirkel des hemels, en zij keert weder in haar 345 4, 35| Doch de waarheid is groot en sterker dan allen.~ 346 4, 36| aarde roept de waarheid aan, en de hemel looft dezelve, 347 4, 36| de hemel looft dezelve, en al de werken worden bewogen 348 4, 36| de werken worden bewogen en beven, en bij haar is geen 349 4, 36| worden bewogen en beven, en bij haar is geen onrecht.~ 350 4, 37| kinderen der mensen is onrecht, en alle zodanige hun werken 351 4, 37| hun werken zijn onrecht; en daar is in hen geen waarheid, 352 4, 37| is in hen geen waarheid, en in hun ongerechtigheid zullen 353 4, 38| Maar de waarheid blijft en is sterk in der eeuwigheid; 354 4, 38| sterk in der eeuwigheid; en zij leeft en heerst in alle 355 4, 38| eeuwigheid; en zij leeft en heerst in alle eeuwigheid.~ 356 4, 39| 39 En bij haar is geen aanneming 357 4, 39| zij doet hetgeen recht is, en onthoudt zich van al hetgeen 358 4, 39| zich van al hetgeen onrecht en boos is, en allen hebben 359 4, 39| hetgeen onrecht en boos is, en allen hebben zij een welbehagen 360 4, 40| 40 En in haar oordeel is geen 361 4, 40| oordeel is geen onrecht, en zij is de kracht, en het 362 4, 40| onrecht, en zij is de kracht, en het koninkrijk, en de macht, 363 4, 40| kracht, en het koninkrijk, en de macht, en de heerlijkheid, 364 4, 40| koninkrijk, en de macht, en de heerlijkheid, van alle 365 4, 41| 41 En hij zweeg stil. En al het 366 4, 41| 41 En hij zweeg stil. En al het volk riep toen, en 367 4, 41| En al het volk riep toen, en sprak toen: Groot is de 368 4, 41| toen: Groot is de waarheid, en zij is sterk bovenal.~ 369 4, 42| meer dan er geschreven is, en wij zullen het u geven, 370 4, 42| bevonden zijt dan de anderen, en gij zult naast mij zitten, 371 4, 42| gij zult naast mij zitten, en mijn bloedvriend genoemd 372 4, 44| 44 En dat gij al de vaten, die 373 4, 44| beloofde Babylon te verstoren, en hij beloofde die weder derwaarts 374 4, 45| 45 En gij hebt beloofd de tempel 375 4, 46| 46 En nu dit is wat ik van u verzoek, 376 4, 46| u verzoek, heer koning, en dat ik van u begeer: en 377 4, 46| en dat ik van u begeer: en deze is de heerlijkheid, 378 4, 47| stond de koning Darius op, en kuste hem; en schreef hem 379 4, 47| Darius op, en kuste hem; en schreef hem de brieven aan 380 4, 47| aan al de rentmeesters, en landvoogden en krijgsoversten, 381 4, 47| rentmeesters, en landvoogden en krijgsoversten, en vorsten, 382 4, 47| landvoogden en krijgsoversten, en vorsten, dat zij hem zouden 383 4, 47| hem zouden geleide doen, en allen die met hem opgingen 384 4, 48| 48 En aan al de landvoogden in 385 4, 48| in Celo-Syrië, Fenicië, en van de berg Libanon, schreef 386 4, 48| Libanon naar Jeruzalem, en dat zij de stad met hem 387 4, 49| 49 En hij schreef aan al de Joden, 388 4, 50| 50 En dat het gehele land, dat 389 4, 50| zonder schatting zou zijn: en dat de Idumeeërs de vlekken 390 4, 51| 51 En tot de bouw des tempels 391 4, 52| 52 En dat zij, om op het altaar, 392 4, 53| 53 En dat al degenen, die van 393 4, 53| zouden hebben, beide zij en hun nakomelingen, met al 394 4, 54| 54 En hij schreef ook van het 395 4, 54| onderhoud der priesters, en van de priesterlijke kleding 396 4, 55| 55 En hij schreef, dat men de 397 4, 55| huis Gods zou voleindigd, en Jeruzalem zou herbouwd zijn.~ 398 4, 56| 56 En schreef, dat men allen, 399 4, 56| stad bewaarden, hun deel en bezoldiging zou geven.~ 400 4, 57| 57 En hij zond weder al de vaten, 401 4, 57| Babylonië afgezonderd had, en al hetgeen Cyrus bevolen 402 4, 57| dat beval hij ook te doen, en naar Jeruzalem te zenden.~ 403 4, 58| 58 En toen de jongeling uitging, 404 4, 58| hemel tegenover Jeruzalem, en dankte de Koning des hemels, 405 4, 59| Van u is de overwinning, en van u is de wijsheid, en 406 4, 59| en van u is de wijsheid, en uw is de heerlijkheid, en 407 4, 59| en uw is de heerlijkheid, en ik ben uw dienstknecht.~ 408 4, 60| mij wijsheid gegeven hebt, en ik dank u, o Here onzer 409 4, 61| 61 En hij nam de brieven, en ging 410 4, 61| 61 En hij nam de brieven, en ging heen en trok naar Babylonië, 411 4, 61| de brieven, en ging heen en trok naar Babylonië, en 412 4, 61| en trok naar Babylonië, en hij verkondigde dit al zijn 413 4, 62| 62 En zij loofden de God hunner 414 4, 62| dat hij hun verkwikking en verlossing gegeven had.~ 415 4, 63| 63 Om op te trekken en Jeruzalem te bouwen en de 416 4, 63| trekken en Jeruzalem te bouwen en de tempel waarover zijn 417 4, 63| zijn naam aangeroepen werd. En zij bedreven vreugde met 418 4, 63| bedreven vreugde met snarenspel en vrolijkheid, zeven dagen 419 5, 1 | stammen, met hun vrouwen en hun zonen en dochteren, 420 5, 1 | hun vrouwen en hun zonen en dochteren, en hun dienstknechten 421 5, 1 | hun zonen en dochteren, en hun dienstknechten en dienstmaagden, 422 5, 1 | dochteren, en hun dienstknechten en dienstmaagden, en hun beesten.~ 423 5, 1 | dienstknechten en dienstmaagden, en hun beesten.~ 424 5, 2 | 2 En Darius zond met hen duizend 425 5, 2 | Jeruzalem, met muziek, trommelen en fluiten,~ 426 5, 3 | 3 (En al hun broederen speelden) 427 5, 3 | hun broederen speelden) en deden hen zo gezamenlijk 428 5, 5 | Josedek, de zoon van Seraja, en Jojakim; daarna Zerubabel, 429 5, 5 | het geslacht van Fares, en van de stam Juda.~ 430 5, 8 | 8 En zij zijn weder gekeerd naar 431 5, 8 | gekeerd naar Jeruzalem, en naar de andere delen van 432 5, 8 | stad: die met Zerubabel en Jozua kwamen en met Nehemia, 433 5, 8 | Zerubabel en Jozua kwamen en met Nehemia, Saraja, Resaja, 434 5, 9 | Parosch tweeduizendeenhonderd en tweeënzeventig.~ 435 5, 11| onder de kinderen van Jozua en Joab tweeduizend achthonderd 436 5, 11| tweeduizend achthonderd en twaalf.~ 437 5, 12| van Chorvas zevenhonderd en vijf. De kinderen van Bani 438 5, 15| tweeënnegentig. De kinderen van Cilas en Azenas zevenenzestig. De 439 5, 19| vijfentwintig; die van Cathiras en Berogh zevenhonderddrieënveertig; 440 5, 19| zevenhonderddrieënveertig; de Gadiastieten en Ammidiën vierhonderdtweeëntwintig.~ 441 5, 20| 20 Die van Kiramas en Gabbes zeshonderdeenentwintig; 442 5, 21| de kinderen Kalamelali en Onus zevenhonderdvijfentwintig.~ 443 5, 23| drieduizend driehonderd en een.~ 444 5, 26| Levieten: de kinderen Jozut en Kadoëli en Banni en Sudi 445 5, 26| kinderen Jozut en Kadoëli en Banni en Sudi vierenzeventig.~ 446 5, 26| Jozut en Kadoëli en Banni en Sudi vierenzeventig.~ 447 5, 35| allen dienden het heiligdom, en waren kinderen der dienstknechten 448 5, 36| opgetrokken van Thermeleth, en Thelersa; en hun overste 449 5, 36| Thermeleth, en Thelersa; en hun overste was Charnathalan 450 5, 36| overste was Charnathalan en Aälar.~ 451 5, 37| Doch zij konden hun steden en geslachten niet verhalen, 452 5, 38| 38 En uit de priesters, die het 453 5, 38| priesterschap bedienden, en welker geslacht niet werd 454 5, 38| de dochteren Faëzeldeüs, en naar zijn naam is genoemd.~ 455 5, 39| 39 En als dit geslachtschrift 456 5, 39| gezocht in het register, en niet gevonden werd, zo zijn 457 5, 40| 40 En Nehemia en Attaria zeiden 458 5, 40| 40 En Nehemia en Attaria zeiden tot hen, 459 5, 40| aangedaan was met openbaring en waarheid.~ 460 5, 41| nu waren van twaalf jaren en daarboven, zonder de dienstknechten 461 5, 41| zonder de dienstknechten en dienstmaagden, tweeënveertigduizend, 462 5, 41| tweeënveertigduizend, driehonderd en zestig.~ 463 5, 42| 42 En hun knechten en dienstmaagden 464 5, 42| 42 En hun knechten en dienstmaagden waren zevenduizend 465 5, 42| zevenduizend driehonderd en zevenendertig. De zangers 466 5, 42| zevenendertig. De zangers en de zangeressen, tweehonderdenvijfenveertig.~ 467 5, 43| vierhonderd vijfendertig, en paarden zevenduizend zesendertig, 468 5, 43| tweehonderd vijfenveertig, en ezels vijfduizend vijfhonderd 469 5, 44| 44 En enigen uit de oversten van 470 5, 45| 45 En te geven tot de heilige 471 5, 45| duizend talenten gouds, en vijfduizend talenten zilvers, 472 5, 45| vijfduizend talenten zilvers, en honderd priesterlijke kledingen.~ 473 5, 46| 46 En de priesters en Levieten, 474 5, 46| 46 En de priesters en Levieten, en die van dit 475 5, 46| de priesters en Levieten, en die van dit volk waren, 476 5, 46| zich neder te Jeruzalem, en in het land, en de heilige 477 5, 46| Jeruzalem, en in het land, en de heilige zangers, en deurwachters, 478 5, 46| en de heilige zangers, en deurwachters, en geheel 479 5, 46| zangers, en deurwachters, en geheel Israël, in hun vlekken.~ 480 5, 47| 47 En toen nu de zevende maand 481 5, 47| nu de zevende maand kwam, en de kinderen Israëls elk 482 5, 48| 48 En Jozua, de zoon van Josedek, 483 5, 48| Jozua, de zoon van Josedek, en zijn broeders de priesters, 484 5, 48| Zerubabel, de zoon van Sealthiël en zijn broeders stonden op.~ 485 5, 49| 49 En bereidden het altaar van 486 5, 50| 50 En zij richtten het altaar 487 5, 51| waren, versterkten zich. En zij offerden offeranden 488 5, 51| offeranden naar de tijd, en brandofferen voor de Here, 489 5, 51| namelijk het vroeg-offer en het spade-offer.~ 490 5, 52| 52 En zij hielden het feest der 491 5, 52| gelijk in de wet bevolen was, en offerden dagelijks offeranden 492 5, 52| offeranden gelijk het betaamde en daarna gedurige offeranden, 493 5, 52| daarna gedurige offeranden, en offeranden der Sabbatten, 494 5, 52| offeranden der Sabbatten, en der nieuwe maanden, en van 495 5, 52| en der nieuwe maanden, en van alle andere feestdagen, 496 5, 53| 53 En allen, die God geloften 497 5, 53| God offeranden te offeren, en de tempel des Heren was 498 5, 54| 54 En zij gaven geld aan de steenhouwers, 499 5, 54| geld aan de steenhouwers, en timmerlieden, en spijs en 500 5, 54| steenhouwers, en timmerlieden, en spijs en drank,~


1-500 | 501-1000 | 1001-1019

Best viewed with any browser at 800x600 or 768x1024 on Tablet PC
IntraText® (V89) - Some rights reserved by EuloTech SRL - 1996-2007. Content in this page is licensed under a Creative Commons License