1-500 | 501-1000 | 1001-1019
Chapter, Verse
1 1, 1 | 1 EN Josia hield zijn Here het
2 1, 1 | het Pascha te Jeruzalem, en slachtte het Pascha op de
3 1, 2 | 2 En stelde de priesters, die
4 1, 3 | 3 En hij zeide tot de Levieten,
5 1, 4 | 4 En zeide: Gij moogt deze niet
6 1, 4 | op de schouders dragen. En nu: dient de Here uw God,
7 1, 4 | nu: dient de Here uw God, en hebt acht op Israël zijn
8 1, 4 | acht op Israël zijn volk, en bereidt alles naar uw geslachten
9 1, 4 | alles naar uw geslachten en stammen.~
10 1, 5 | Davids; de koning Israëls, en naar de heerlijke instelling
11 1, 5 | instelling Salomo's, zijn zoon; en staat in het heiligdom naar
12 1, 6 | 6 En slacht ordelijk het Pascha,
13 1, 6 | slacht ordelijk het Pascha, en bereidt de offeranden voor
14 1, 6 | offeranden voor uw broederen; en houdt het Pascha naar het
15 1, 7 | 7 En Josia schonk het volk, dat
16 1, 7 | dertigduizend lammeren en bokken, en drieduizend kalveren.~
17 1, 7 | dertigduizend lammeren en bokken, en drieduizend kalveren.~
18 1, 8 | zijn belofte, aan het volk en aan de priesters en de Levieten
19 1, 8 | volk en aan de priesters en de Levieten gegeven.~
20 1, 9 | 9 Doch Chelkia, en Zacharia, en Suëlus, die
21 1, 9 | Doch Chelkia, en Zacharia, en Suëlus, die Oversten des
22 1, 9 | tweeduizendzeshonderd schapen, en driehonderd kalveren. Maar
23 1, 9 | kalveren. Maar Jechonia, en Semea, en Nathanaël zijn
24 1, 9 | Maar Jechonia, en Semea, en Nathanaël zijn broeder,
25 1, 9 | Nathanaël zijn broeder, en Hasabia en Ochiël en Joram,
26 1, 9 | zijn broeder, en Hasabia en Ochiël en Joram, overste
27 1, 9 | broeder, en Hasabia en Ochiël en Joram, overste over duizend,
28 1, 9 | Pascha vijfduizend schapen, en zevenhonderd kalveren.~
29 1, 10| 10 En als deze dingen naar behoren
30 1, 10| zo stonden de priesters en Levieten, hebbende de ongehevelde
31 1, 10| broden naar hun stammen, en naar de verdeling van de
32 1, 11| van Mozes geschreven was, en alzo geschiedde het vroegoffer.~
33 1, 12| 12 En zij braadden het Pascha
34 1, 12| vuur, gelijk het behoorde, en offeranden kookten zij in
35 1, 12| kookten zij in koperen ketels en potten, met goede reuk;~
36 1, 13| 13 En brachten het voor al het
37 1, 13| bereidden zij dat voor zichzelf, en voor de priesters, hun broederen,
38 1, 14| totdat de tijd verliep; en de Levieten bereidden het
39 1, 14| bereidden het voor zichzelf, en voor de priesters, hun broederen,
40 1, 15| 15 En de heilige Zangers, de kinderen
41 1, 15| verordineerd had, daartoe Asaf, en Zacharia, en Jeduthun, die
42 1, 15| daartoe Asaf, en Zacharia, en Jeduthun, die door de koning
43 1, 16| 16 En de deurwachters stonden
44 1, 16| deurwachters stonden aan elke deur; en niemand mocht van zijn dagorde
45 1, 18| Om het Pascha te houden, en offeranden te brengen op
46 1, 19| 19 En de kinderen Israëls, die
47 1, 19| werden, hielden het Pascha, en het feest der ongehevelde
48 1, 20| 20 En daar is zodanig Pascha niet
49 1, 21| 21 En geen koning Israëls heeft
50 1, 21| als Josia gehouden heeft, en de priesters en de Levieten,
51 1, 21| gehouden heeft, en de priesters en de Levieten, en de Joden
52 1, 21| priesters en de Levieten, en de Joden en geheel Israël,
53 1, 21| de Levieten, en de Joden en geheel Israël, hetwelk bevonden
54 1, 23| 23 En de werken van Josia zijn
55 1, 24| 24 En wat zijn zaken aanbelangt,
56 1, 24| hen, die gezondigd hebben, en goddeloosheid bedreven hebben
57 1, 24| Here, meer dan enig volk en koninkrijk, en die hem bedroefd
58 1, 24| enig volk en koninkrijk, en die hem bedroefd hebben;
59 1, 24| die hem bedroefd hebben; en de woorden des Heren zijn
60 1, 25| 25 En na al deze daden van Josia,
61 1, 25| koning van Egypte kwam, en oorlog verwekte te Karchamis
62 1, 25| bij de Eufraat gelegen; en Josia trok uit hem tegemoet.~
63 1, 26| 26 En de koning van Egypte zond
64 1, 27| krijg is op de Eufraat; en nu, de Here is bij mij,
65 1, 27| nu, de Here is bij mij, en de Here is haastig bij mij;
66 1, 27| mij; wend u af van mij, en stel u niet tegen de Here.~
67 1, 28| 28 En Josia keerde zijn wagen
68 1, 29| hem in het veld Megiddo, en de oversten kwamen af tegen
69 1, 30| 30 En de koning zeide tot zijn
70 1, 30| want ik ben zeer zwak. En zijn knechten voerden hem
71 1, 31| 31 En hij klom op zijn tweede
72 1, 31| klom op zijn tweede wagen, en als hij te Jeruzalem wedergebracht
73 1, 31| legde hij het leven af, en werd begraven in zijn vaderlijk
74 1, 32| 32 En in geheel Juda treurden
75 1, 32| treurden zij over Josia, en Jeremia, de profeet beklaagde
76 1, 32| profeet beklaagde Josia, en de voornaamsten met hun
77 1, 32| beklaagden hem tot op deze dag; en daar is een bevel uitgegeven,
78 1, 33| geschiedenissen der koningen van Juda; en van elk der daden van Josia
79 1, 33| die door hem zijn gedaan, en van zijn heerlijkheid, en
80 1, 33| en van zijn heerlijkheid, en van zijn wetenschap in de
81 1, 33| wetenschap in de wet des Heren. En hetgeen tevoren door hem
82 1, 33| tevoren door hem gedaan was, en hetgeen nu geschied is,
83 1, 33| van de koningen van Israël en Juda.~
84 1, 34| 34 En het volk nam Joachas, de
85 1, 34| Joachas, de zoon van Josia, en maakte hem tot koning in
86 1, 35| 35 En hij was koning in Israël
87 1, 35| hij was koning in Israël en Jeruzalem drie maanden.
88 1, 35| Jeruzalem drie maanden. En de koning van Egypte zette
89 1, 36| 36 En legde het volk een geldstraf
90 1, 36| honderd talenten zilvers, en een talent gouds.~
91 1, 37| 37 En de koning van Egypte stelde
92 1, 37| Jojakim tot koning over Juda en Jeruzalem;~
93 1, 38| 38 En verplichte Jojakim en de
94 1, 38| 38 En verplichte Jojakim en de groten aan zich; maar
95 1, 38| broeder Saracus nam hij, en bracht hem weder in Egypte.~
96 1, 39| hij koning werd over Judea en Jeruzalem, en deed wat kwaad
97 1, 39| over Judea en Jeruzalem, en deed wat kwaad was voor
98 1, 40| de koning van Babylon, en bond hem met een metalen
99 1, 40| hem met een metalen band, en voerde hem weg naar Babylonië.~
100 1, 41| 41 En Nabuchodonosor nam van de
101 1, 41| heilige vaten des Heren, en bracht ze weg, en zette
102 1, 41| Heren, en bracht ze weg, en zette die in zijn tempel
103 1, 42| Het verhaal nu van hem, en van zijn onreinheid en goddeloosheid
104 1, 42| en van zijn onreinheid en goddeloosheid staat beschreven
105 1, 43| 43 En Joakim zijn zoon, werd koning
106 1, 43| werd koning in zijn plaats, en hij was achttien jaren oud
107 1, 44| 44 En regeerde drie maanden en
108 1, 44| En regeerde drie maanden en tien dagen te Jeruzalem,
109 1, 44| tien dagen te Jeruzalem, en deed dat kwaad was voor
110 1, 45| 45 En na een jaar schikte Nabuchodonosor,
111 1, 45| schikte Nabuchodonosor, en liet hem brengen naar Babylon,
112 1, 46| 46 En maakte Zedekia koning over
113 1, 46| Zedekia koning over Judea en Jeruzalem; die was eenentwintig
114 1, 46| eenentwintig jaren oud, en regeerde elf jaren;~
115 1, 47| 47 En deed dat kwaad was voor
116 1, 47| kwaad was voor de Here; en vreesde niet voor de woorden,
117 1, 48| 48 En hoewel hij een eed gedaan
118 1, 48| Heren, zo werd hij meinedig, en viel van hem af, en hij
119 1, 48| meinedig, en viel van hem af, en hij verhardde zijn nek,
120 1, 48| hij verhardde zijn nek, en zijn hart, en overtrad de
121 1, 48| zijn nek, en zijn hart, en overtrad de inzettingen
122 1, 49| 49 En ook de oversten des volks
123 1, 49| ook de oversten des volks en der priesters bedreven vele
124 1, 49| onreinheden van al de heidenen, en bevlekten de tempel des
125 1, 50| 50 En de God hunner vaderen zond
126 1, 50| hij hen zou verschonen, en zijn woning.~
127 1, 51| zij bespotten zijn boden, en op de dag dat de Here tot
128 1, 53| van hun heilige tempel, en spaarden noch jongeling,
129 1, 54| hen allen in hun handen, en al de heilige vaten des
130 1, 54| heilige vaten des Heren groot en klein, en de ark des Heren,
131 1, 54| des Heren groot en klein, en de ark des Heren, en de
132 1, 54| klein, en de ark des Heren, en de koninklijke schatkisten
133 1, 54| koninklijke schatkisten namen zij en voerden die naar Babylon.~
134 1, 55| 55 En verbrandden het huis des
135 1, 55| verbrandden het huis des Heren, en braken de muren van Jeruzalem,
136 1, 55| de muren van Jeruzalem, en haar torens verbrandden
137 1, 55| verbrandden zij met vuur, en alles wat in haar heerlijk
138 1, 56| 56 En degenen, die overig waren
139 1, 57| 57 En zij waren zijn en zijner
140 1, 57| 57 En zij waren zijn en zijner kinderen dienstknechten,
141 1, 58| Sabbatten een welbehagen had, en al de tijd van zijn verwoesting
142 2, 2 | geheel zijn koninkrijk, en mede door schriften, zeggende:~
143 2, 4 | 4 En heeft mij bevolen, dat ik
144 2, 5 | volk, de Here zij met hem, en hij trekke op naar Jeruzalem
145 2, 5 | naar Jeruzalem in Judea, en bouwe het huis des Heren
146 2, 6 | omtrent die plaatsen wonen, en in die plaats zijn,~
147 2, 7 | zullen hem helpen, met goud en met zilver, en gaven; met
148 2, 7 | met goud en met zilver, en gaven; met paarden, en lastdieren,
149 2, 7 | en gaven; met paarden, en lastdieren, en met andere
150 2, 7 | paarden, en lastdieren, en met andere dingen, die men
151 2, 8 | vaderlijke stammen van Juda en Benjamin, en de priesters
152 2, 8 | stammen van Juda en Benjamin, en de priesters en Levieten,
153 2, 8 | Benjamin, en de priesters en Levieten, en al degenen,
154 2, 8 | de priesters en Levieten, en al degenen, wier geest God
155 2, 8 | verwekte om op te trekken, en het huis des Heren te Jeruzalem
156 2, 9 | 9 En die rondom hen waren, hielpen
157 2, 9 | allerlei dingen, met zilver en met goud, met paarden, en
158 2, 9 | en met goud, met paarden, en lastdieren, en met zeer
159 2, 9 | paarden, en lastdieren, en met zeer vele gewillige
160 2, 10| 10 En de koning Cyrus bracht tevoorschijn
161 2, 10| van Jeruzalem weggevoerd, en in zijn afgoden-tempel gezet
162 2, 11| 11 En Cyrus, de koning der Perzen,
163 2, 12| 12 En door deze werden zij overgeleverd
164 2, 13| tweeduizendvierhonderdendertig zilveren bekers, en andere vaten tot duizend.~
165 2, 15| 15 En deze zijn wedergebracht
166 2, 16| tegen degenen die in Judea en te Jeruzalem woonden, Belemus
167 2, 16| Jeruzalem woonden, Belemus en Mithridates, en Tabellius,
168 2, 16| Belemus en Mithridates, en Tabellius, en Rathymus en
169 2, 16| Mithridates, en Tabellius, en Rathymus en Balthemus en
170 2, 16| en Tabellius, en Rathymus en Balthemus en Samellius de
171 2, 16| en Rathymus en Balthemus en Samellius de schrijver,
172 2, 16| Samellius de schrijver, en de overigen die met hen
173 2, 16| hen verordineerd waren, en te Samarië en in andere
174 2, 16| verordineerd waren, en te Samarië en in andere plaatsen woonden,
175 2, 17| over de voorvallende zaken, en Samellius de schrijver,
176 2, 17| Samellius de schrijver, en de anderen van hun raad,
177 2, 17| de anderen van hun raad, en rechters, die in Celo-Syrië
178 2, 17| rechters, die in Celo-Syrië en Fenicië zijn;~
179 2, 18| u tot ons wedergekeerd, en aangekomen zijn te Jeruzalem,
180 2, 18| Jeruzalem, een stad die afvallig en boos is, hun straten bouwen,
181 2, 18| is, hun straten bouwen, en hun muren herstellen, en
182 2, 18| en hun muren herstellen, en de tempel weder oprichten.~
183 2, 19| deze stad opgebouwd wordt, en haar muren voltooid worden,
184 2, 22| 22 En gij zult in de gedenkboeken,
185 2, 22| daarover geschreven, vinden, en verstaan, dat die stad afvallig
186 2, 22| dat die stad afvallig was, en aan koningen en steden moeite
187 2, 22| afvallig was, en aan koningen en steden moeite veroorzaakt
188 2, 23| 23 En dat de Joden daarin zich,
189 2, 23| ouds af, altijd afvallig en oproerig hebben aangesteld;
190 2, 24| stad weder gebouwd wordt, en haar muren weder opgericht,
191 2, 24| zult hebben in Celo-Syrië en Fenicië.~
192 2, 25| voorvallende zaken gesteld was, en aan Balthemus, en aan Samellius,
193 2, 25| gesteld was, en aan Balthemus, en aan Samellius, de schrijver,
194 2, 25| Samellius, de schrijver, en aan de anderen, die met
195 2, 25| hen verordineerd waren, en in Samarië en Syrië en Fenicië
196 2, 25| verordineerd waren, en in Samarië en Syrië en Fenicië woonden,
197 2, 25| en in Samarië en Syrië en Fenicië woonden, hetgeen
198 2, 26| gezonden hebt, gelezen, en heb daarop bevolen onderzoek
199 2, 26| bevolen onderzoek te doen, en daar is bevonden, dat deze
200 2, 27| 27 En dat de lieden afvallig geweest
201 2, 27| lieden afvallig geweest zijn, en oorlogen daarin gevoerd
202 2, 27| oorlogen daarin gevoerd hebben, en dat te Jeruzalem machtige
203 2, 27| dat te Jeruzalem machtige en strenge koningen hebben
204 2, 27| schattingen aan die van Celo-Syrië en Fenicië opgelegd hebben.~
205 2, 28| verhinderen hun stad te bouwen; en dat men daarop acht hebbe,
206 2, 29| 29 En dat de boosheid niet verder
207 2, 30| gelezen, zo spanden Rathymus, en Samellius de schrijver en
208 2, 30| en Samellius de schrijver en die met hen verordineerd
209 2, 30| verordineerd waren tezamen, en trokken met haast naar Jeruzalem,
210 2, 30| met een leger van ruiters en voet volk.~
211 2, 31| 31 En begonnen degenen, die daar
212 3, 1 | 1 EN Darius, koning zijnde, maakte
213 3, 1 | degenen die onder hem stonden, en voor al zijn huisgenoten,
214 3, 1 | voor al zijn huisgenoten, en voor al de groten van Medië
215 3, 1 | voor al de groten van Medië en Perzië;~
216 3, 2 | 2 En voor al zijn vorsten, en
217 3, 2 | En voor al zijn vorsten, en krijgsoversten, en oversten
218 3, 2 | vorsten, en krijgsoversten, en oversten der landen, die
219 3, 3 | 3 En als zij gegeten en gedronken
220 3, 3 | 3 En als zij gegeten en gedronken hadden, en wel
221 3, 3 | gegeten en gedronken hadden, en wel verzadigd waren, keerden
222 3, 3 | weder in zijn slaapkamer, en viel in slaap, en ontwaakte
223 3, 3 | slaapkamer, en viel in slaap, en ontwaakte weder.~
224 3, 4 | konings lijfwacht waren, en hem bewaarden, de een tot
225 3, 5 | zeggen, WIE DE STERKSTE IS; en wiens woord wijzer zal schijnen
226 3, 5 | koning Darius grote giften en grote overwinningstekenen
227 3, 6 | met purper doen kleden, en uit gouden vaten doen drinken,
228 3, 6 | gouden vaten doen drinken, en op gouden koetsen doen slapen,
229 3, 6 | gouden koetsen doen slapen, en zal hem een wagen geven,
230 3, 6 | gouden tomen wordt getrokken, en een hoed van fijne zijde,
231 3, 6 | een hoed van fijne zijde, en een keten om zijn hals;~
232 3, 7 | 7 En hij zal de tweede naast
233 3, 7 | zitten vanwege zijn wijsheid, en zal een bloedvriend van
234 3, 8 | ieder zijn eigen spreuk, en verzegelde die, en legde
235 3, 8 | spreuk, en verzegelde die, en legde ze onder het oorkussen
236 3, 9 | 9 En zeide, wanneer de koning
237 3, 9 | hem het geschrift geven; en van wie de koning en de
238 3, 9 | geven; en van wie de koning en de drie oversten van Perzië
239 3, 13| 13 En als de koning opgestaan
240 3, 13| namen zij het geschrift, en gaven het hem, en hij las
241 3, 13| geschrift, en gaven het hem, en hij las het.~
242 3, 14| 14 En uitgezonden hebbende liet
243 3, 14| al de groten van Perzië en Medië, en de vorsten, en
244 3, 14| groten van Perzië en Medië, en de vorsten, en de krijgsoversten,
245 3, 14| en Medië, en de vorsten, en de krijgsoversten, en oversten
246 3, 14| vorsten, en de krijgsoversten, en oversten der landen, en
247 3, 14| en oversten der landen, en de burgemeesters.~
248 3, 15| 15 En hij zette zich neder in
249 3, 15| zich neder in zijn Raad, en het geschrift werd voor
250 3, 15| geschrift werd voor hen gelezen en hij zeide:~
251 3, 16| 16 Roept de jongelingen, en laat henzelf hun redenen
252 3, 16| henzelf hun redenen verklaren; en zij werden geroepen, en
253 3, 16| en zij werden geroepen, en kwamen binnen, en zij zeiden
254 3, 16| geroepen, en kwamen binnen, en zij zeiden tot hen:~
255 3, 18| 18 En de eerste begon, die van
256 3, 18| des wijns gesproken had, en zeide aldus:~
257 3, 20| verstand des dienstknechts en des vrijen, het verstand
258 3, 20| het verstand des armen en des rijken;~
259 3, 21| 21 En hij verandert alle verstand
260 3, 21| alle verstand in vreugde en vrolijkheid, en hij gedenkt
261 3, 21| vreugde en vrolijkheid, en hij gedenkt aan geen droefheid,
262 3, 21| gedenkt aan geen droefheid, en aan geen schuld;~
263 3, 22| maakt alle harten rijk, en gedenkt niet aan de koning
264 3, 22| aan de koning of vorst, en hij maakt dat een ieder
265 3, 23| vriendelijk te zijn de vrienden en broeders, en trekken kort
266 3, 23| de vrienden en broeders, en trekken kort daarna de zwaarden
267 3, 24| 24 En als zij van de wijn opgestaan
268 3, 25| hij dit dwingt te doen? En hij zweeg stil, als hij
269 4, 1 | de sterkte des konings, en zeide:~
270 4, 2 | de sterkste, die het land en de zee bemachtigen, en alles
271 4, 2 | land en de zee bemachtigen, en alles wat daarin is?~
272 4, 3 | 3 De koning nu overtreft en overheerst die, en regeert
273 4, 3 | overtreft en overheerst die, en regeert die, en alles wat
274 4, 3 | overheerst die, en regeert die, en alles wat hij hun zegt,
275 4, 4 | oorlog aandoen, zij doen het; en indien hij uitzendt tegen
276 4, 4 | zij slechten de bergen, en de muren, en de torens;~
277 4, 4 | de bergen, en de muren, en de torens;~
278 4, 5 | 5 Zij slaan dood, en worden dood geslagen, en
279 4, 5 | en worden dood geslagen, en het woord des konings zullen
280 4, 5 | zullen zij niet overtreden; en indien zij overwinnen zo
281 4, 5 | wat zij geroofd hebben en alle andere dingen.~
282 4, 6 | 6 En allen die in de krijg niet
283 4, 6 | wanneer ze gezaaid hebben, en nu maaien, zo brengen zij
284 4, 6 | zij de koning schatting; en de een dwingt de ander om
285 4, 10| 10 En al zijn volk, en zijn heerlegers
286 4, 10| 10 En al zijn volk, en zijn heerlegers zijn hem
287 4, 11| wacht ringswijze rondom hem, en niemand durft weggaan, noch
288 4, 11| zijn eigen werken doen, en zijn hem niet ongehoorzaam.~
289 4, 12| die men alzo gehoorzaamt? en hij zweeg stil.~
290 4, 13| derde, die van de vrouwen en van de waarheid had gezegd,
291 4, 15| koning ter wereld gebracht, en al het volk, dat de zee
292 4, 15| al het volk, dat de zee en de aarde regeert is uit
293 4, 16| 16 En zij hebben zelfs degenen
294 4, 17| 17 En zij zelf maken de kleding
295 4, 17| maken de kleding der mensen, en zij maken hetgeen heerlijk
296 4, 17| heerlijk is voor de mensen, en de mensen kunnen zonder
297 4, 18| 18 En indien zij goud en zilver
298 4, 18| 18 En indien zij goud en zilver en allerlei fraaie
299 4, 18| indien zij goud en zilver en allerlei fraaie zaken verzameld
300 4, 18| zaken verzameld hebben, en een vrouw zien die schoon
301 4, 18| die schoon is van gedaante en van gestalte,~
302 4, 19| verlaten zij dat alles, en wenden de ogen op haar,
303 4, 19| wenden de ogen op haar, en met open mond aanschouwen
304 4, 19| mond aanschouwen zij haar; en hebben meer begeerte tot
305 4, 19| tot haar, dan tot het goud en het zilver en allerlei fraaiigheid.~
306 4, 19| tot het goud en het zilver en allerlei fraaiigheid.~
307 4, 20| die hem opgevoed heeft, en zijn eigen land, en hangt
308 4, 20| heeft, en zijn eigen land, en hangt zijn eigen vrouw aan.~
309 4, 21| 21 En bij de vrouw laat hij zijn
310 4, 21| vrouw laat hij zijn leven; en gedenkt noch zijn vader,
311 4, 23| 23 En werkt gij niet, en arbeidt
312 4, 23| 23 En werkt gij niet, en arbeidt gij niet? en geeft
313 4, 23| niet, en arbeidt gij niet? en geeft gij niet alles, en
314 4, 23| en geeft gij niet alles, en brengt het aan de vrouw?
315 4, 23| een man neemt zijn zwaard, en gaat heen op de wegen te
316 4, 23| heen op de wegen te liggen, en te roven en te stelen, en
317 4, 23| wegen te liggen, en te roven en te stelen, en op de zee
318 4, 23| en te roven en te stelen, en op de zee en rivieren te
319 4, 23| te stelen, en op de zee en rivieren te varen;~
320 4, 24| 24 En ziet een leeuw, en gaat
321 4, 24| 24 En ziet een leeuw, en gaat in duisternis; en wanneer
322 4, 24| en gaat in duisternis; en wanneer hij gestolen, en
323 4, 24| en wanneer hij gestolen, en geroofd, en gestroopt heeft,
324 4, 24| hij gestolen, en geroofd, en gestroopt heeft, zo brengt
325 4, 25| 25 En een man heeft zijn eigen
326 4, 25| vrouw liever dan zijn vader en zijn moeder.~
327 4, 26| 26 En velen zijn van hun zinnen
328 4, 26| beroofd om der vrouwen wil, en zijn om harentwil tot slaven
329 4, 27| 27 En velen zijn omgekomen, en
330 4, 27| En velen zijn omgekomen, en zijn verworgd geworden,
331 4, 27| zijn verworgd geworden, en hebben gezondigd om der
332 4, 28| 28 En nu, gelooft gij mij niet?
333 4, 28| niet groot in zijn macht? en vrezen niet alle landen
334 4, 29| Nochtans heb ik hem gezien en Apame, de dochter des wondergroten
335 4, 30| 30 En zij nam de kroon van het
336 4, 30| zette die zichzelf op, en sloeg de koning met haar
337 4, 31| 31 En bovendien zag haar de koning
338 4, 31| koning met open mond aan, en indien zij hem aanlachte,
339 4, 31| aanlachte, zo lachte hij ook; en indien zij op hem gram werd,
340 4, 33| 33 Toen zagen de koning en de groten op elkander. En
341 4, 33| en de groten op elkander. En hij, begon te spreken van
342 4, 34| sterk! Groot is de aarde,. en hoog is de hemel, en snel
343 4, 34| aarde,. en hoog is de hemel, en snel in haar loop is de
344 4, 34| in de cirkel des hemels, en zij keert weder in haar
345 4, 35| Doch de waarheid is groot en sterker dan allen.~
346 4, 36| aarde roept de waarheid aan, en de hemel looft dezelve,
347 4, 36| de hemel looft dezelve, en al de werken worden bewogen
348 4, 36| de werken worden bewogen en beven, en bij haar is geen
349 4, 36| worden bewogen en beven, en bij haar is geen onrecht.~
350 4, 37| kinderen der mensen is onrecht, en alle zodanige hun werken
351 4, 37| hun werken zijn onrecht; en daar is in hen geen waarheid,
352 4, 37| is in hen geen waarheid, en in hun ongerechtigheid zullen
353 4, 38| Maar de waarheid blijft en is sterk in der eeuwigheid;
354 4, 38| sterk in der eeuwigheid; en zij leeft en heerst in alle
355 4, 38| eeuwigheid; en zij leeft en heerst in alle eeuwigheid.~
356 4, 39| 39 En bij haar is geen aanneming
357 4, 39| zij doet hetgeen recht is, en onthoudt zich van al hetgeen
358 4, 39| zich van al hetgeen onrecht en boos is, en allen hebben
359 4, 39| hetgeen onrecht en boos is, en allen hebben zij een welbehagen
360 4, 40| 40 En in haar oordeel is geen
361 4, 40| oordeel is geen onrecht, en zij is de kracht, en het
362 4, 40| onrecht, en zij is de kracht, en het koninkrijk, en de macht,
363 4, 40| kracht, en het koninkrijk, en de macht, en de heerlijkheid,
364 4, 40| koninkrijk, en de macht, en de heerlijkheid, van alle
365 4, 41| 41 En hij zweeg stil. En al het
366 4, 41| 41 En hij zweeg stil. En al het volk riep toen, en
367 4, 41| En al het volk riep toen, en sprak toen: Groot is de
368 4, 41| toen: Groot is de waarheid, en zij is sterk bovenal.~
369 4, 42| meer dan er geschreven is, en wij zullen het u geven,
370 4, 42| bevonden zijt dan de anderen, en gij zult naast mij zitten,
371 4, 42| gij zult naast mij zitten, en mijn bloedvriend genoemd
372 4, 44| 44 En dat gij al de vaten, die
373 4, 44| beloofde Babylon te verstoren, en hij beloofde die weder derwaarts
374 4, 45| 45 En gij hebt beloofd de tempel
375 4, 46| 46 En nu dit is wat ik van u verzoek,
376 4, 46| u verzoek, heer koning, en dat ik van u begeer: en
377 4, 46| en dat ik van u begeer: en deze is de heerlijkheid,
378 4, 47| stond de koning Darius op, en kuste hem; en schreef hem
379 4, 47| Darius op, en kuste hem; en schreef hem de brieven aan
380 4, 47| aan al de rentmeesters, en landvoogden en krijgsoversten,
381 4, 47| rentmeesters, en landvoogden en krijgsoversten, en vorsten,
382 4, 47| landvoogden en krijgsoversten, en vorsten, dat zij hem zouden
383 4, 47| hem zouden geleide doen, en allen die met hem opgingen
384 4, 48| 48 En aan al de landvoogden in
385 4, 48| in Celo-Syrië, Fenicië, en van de berg Libanon, schreef
386 4, 48| Libanon naar Jeruzalem, en dat zij de stad met hem
387 4, 49| 49 En hij schreef aan al de Joden,
388 4, 50| 50 En dat het gehele land, dat
389 4, 50| zonder schatting zou zijn: en dat de Idumeeërs de vlekken
390 4, 51| 51 En tot de bouw des tempels
391 4, 52| 52 En dat zij, om op het altaar,
392 4, 53| 53 En dat al degenen, die van
393 4, 53| zouden hebben, beide zij en hun nakomelingen, met al
394 4, 54| 54 En hij schreef ook van het
395 4, 54| onderhoud der priesters, en van de priesterlijke kleding
396 4, 55| 55 En hij schreef, dat men de
397 4, 55| huis Gods zou voleindigd, en Jeruzalem zou herbouwd zijn.~
398 4, 56| 56 En schreef, dat men allen,
399 4, 56| stad bewaarden, hun deel en bezoldiging zou geven.~
400 4, 57| 57 En hij zond weder al de vaten,
401 4, 57| Babylonië afgezonderd had, en al hetgeen Cyrus bevolen
402 4, 57| dat beval hij ook te doen, en naar Jeruzalem te zenden.~
403 4, 58| 58 En toen de jongeling uitging,
404 4, 58| hemel tegenover Jeruzalem, en dankte de Koning des hemels,
405 4, 59| Van u is de overwinning, en van u is de wijsheid, en
406 4, 59| en van u is de wijsheid, en uw is de heerlijkheid, en
407 4, 59| en uw is de heerlijkheid, en ik ben uw dienstknecht.~
408 4, 60| mij wijsheid gegeven hebt, en ik dank u, o Here onzer
409 4, 61| 61 En hij nam de brieven, en ging
410 4, 61| 61 En hij nam de brieven, en ging heen en trok naar Babylonië,
411 4, 61| de brieven, en ging heen en trok naar Babylonië, en
412 4, 61| en trok naar Babylonië, en hij verkondigde dit al zijn
413 4, 62| 62 En zij loofden de God hunner
414 4, 62| dat hij hun verkwikking en verlossing gegeven had.~
415 4, 63| 63 Om op te trekken en Jeruzalem te bouwen en de
416 4, 63| trekken en Jeruzalem te bouwen en de tempel waarover zijn
417 4, 63| zijn naam aangeroepen werd. En zij bedreven vreugde met
418 4, 63| bedreven vreugde met snarenspel en vrolijkheid, zeven dagen
419 5, 1 | stammen, met hun vrouwen en hun zonen en dochteren,
420 5, 1 | hun vrouwen en hun zonen en dochteren, en hun dienstknechten
421 5, 1 | hun zonen en dochteren, en hun dienstknechten en dienstmaagden,
422 5, 1 | dochteren, en hun dienstknechten en dienstmaagden, en hun beesten.~
423 5, 1 | dienstknechten en dienstmaagden, en hun beesten.~
424 5, 2 | 2 En Darius zond met hen duizend
425 5, 2 | Jeruzalem, met muziek, trommelen en fluiten,~
426 5, 3 | 3 (En al hun broederen speelden)
427 5, 3 | hun broederen speelden) en deden hen zo gezamenlijk
428 5, 5 | Josedek, de zoon van Seraja, en Jojakim; daarna Zerubabel,
429 5, 5 | het geslacht van Fares, en van de stam Juda.~
430 5, 8 | 8 En zij zijn weder gekeerd naar
431 5, 8 | gekeerd naar Jeruzalem, en naar de andere delen van
432 5, 8 | stad: die met Zerubabel en Jozua kwamen en met Nehemia,
433 5, 8 | Zerubabel en Jozua kwamen en met Nehemia, Saraja, Resaja,
434 5, 9 | Parosch tweeduizendeenhonderd en tweeënzeventig.~
435 5, 11| onder de kinderen van Jozua en Joab tweeduizend achthonderd
436 5, 11| tweeduizend achthonderd en twaalf.~
437 5, 12| van Chorvas zevenhonderd en vijf. De kinderen van Bani
438 5, 15| tweeënnegentig. De kinderen van Cilas en Azenas zevenenzestig. De
439 5, 19| vijfentwintig; die van Cathiras en Berogh zevenhonderddrieënveertig;
440 5, 19| zevenhonderddrieënveertig; de Gadiastieten en Ammidiën vierhonderdtweeëntwintig.~
441 5, 20| 20 Die van Kiramas en Gabbes zeshonderdeenentwintig;
442 5, 21| de kinderen Kalamelali en Onus zevenhonderdvijfentwintig.~
443 5, 23| drieduizend driehonderd en een.~
444 5, 26| Levieten: de kinderen Jozut en Kadoëli en Banni en Sudi
445 5, 26| kinderen Jozut en Kadoëli en Banni en Sudi vierenzeventig.~
446 5, 26| Jozut en Kadoëli en Banni en Sudi vierenzeventig.~
447 5, 35| allen dienden het heiligdom, en waren kinderen der dienstknechten
448 5, 36| opgetrokken van Thermeleth, en Thelersa; en hun overste
449 5, 36| Thermeleth, en Thelersa; en hun overste was Charnathalan
450 5, 36| overste was Charnathalan en Aälar.~
451 5, 37| Doch zij konden hun steden en geslachten niet verhalen,
452 5, 38| 38 En uit de priesters, die het
453 5, 38| priesterschap bedienden, en welker geslacht niet werd
454 5, 38| de dochteren Faëzeldeüs, en naar zijn naam is genoemd.~
455 5, 39| 39 En als dit geslachtschrift
456 5, 39| gezocht in het register, en niet gevonden werd, zo zijn
457 5, 40| 40 En Nehemia en Attaria zeiden
458 5, 40| 40 En Nehemia en Attaria zeiden tot hen,
459 5, 40| aangedaan was met openbaring en waarheid.~
460 5, 41| nu waren van twaalf jaren en daarboven, zonder de dienstknechten
461 5, 41| zonder de dienstknechten en dienstmaagden, tweeënveertigduizend,
462 5, 41| tweeënveertigduizend, driehonderd en zestig.~
463 5, 42| 42 En hun knechten en dienstmaagden
464 5, 42| 42 En hun knechten en dienstmaagden waren zevenduizend
465 5, 42| zevenduizend driehonderd en zevenendertig. De zangers
466 5, 42| zevenendertig. De zangers en de zangeressen, tweehonderdenvijfenveertig.~
467 5, 43| vierhonderd vijfendertig, en paarden zevenduizend zesendertig,
468 5, 43| tweehonderd vijfenveertig, en ezels vijfduizend vijfhonderd
469 5, 44| 44 En enigen uit de oversten van
470 5, 45| 45 En te geven tot de heilige
471 5, 45| duizend talenten gouds, en vijfduizend talenten zilvers,
472 5, 45| vijfduizend talenten zilvers, en honderd priesterlijke kledingen.~
473 5, 46| 46 En de priesters en Levieten,
474 5, 46| 46 En de priesters en Levieten, en die van dit
475 5, 46| de priesters en Levieten, en die van dit volk waren,
476 5, 46| zich neder te Jeruzalem, en in het land, en de heilige
477 5, 46| Jeruzalem, en in het land, en de heilige zangers, en deurwachters,
478 5, 46| en de heilige zangers, en deurwachters, en geheel
479 5, 46| zangers, en deurwachters, en geheel Israël, in hun vlekken.~
480 5, 47| 47 En toen nu de zevende maand
481 5, 47| nu de zevende maand kwam, en de kinderen Israëls elk
482 5, 48| 48 En Jozua, de zoon van Josedek,
483 5, 48| Jozua, de zoon van Josedek, en zijn broeders de priesters,
484 5, 48| Zerubabel, de zoon van Sealthiël en zijn broeders stonden op.~
485 5, 49| 49 En bereidden het altaar van
486 5, 50| 50 En zij richtten het altaar
487 5, 51| waren, versterkten zich. En zij offerden offeranden
488 5, 51| offeranden naar de tijd, en brandofferen voor de Here,
489 5, 51| namelijk het vroeg-offer en het spade-offer.~
490 5, 52| 52 En zij hielden het feest der
491 5, 52| gelijk in de wet bevolen was, en offerden dagelijks offeranden
492 5, 52| offeranden gelijk het betaamde en daarna gedurige offeranden,
493 5, 52| daarna gedurige offeranden, en offeranden der Sabbatten,
494 5, 52| offeranden der Sabbatten, en der nieuwe maanden, en van
495 5, 52| en der nieuwe maanden, en van alle andere feestdagen,
496 5, 53| 53 En allen, die God geloften
497 5, 53| God offeranden te offeren, en de tempel des Heren was
498 5, 54| 54 En zij gaven geld aan de steenhouwers,
499 5, 54| geld aan de steenhouwers, en timmerlieden, en spijs en
500 5, 54| steenhouwers, en timmerlieden, en spijs en drank,~
1-500 | 501-1000 | 1001-1019 |