Chapter, Verse
1 1, 16| Levieten, bereidden het voor hen.~
2 1, 24| de vorige tijden, vanwege hen, die gezondigd hebben, en
3 1, 50| hunner vaderen zond tot hen, door zijn boden om hen
4 1, 50| hen, door zijn boden om hen tot bekering te roepen,
5 1, 50| bekering te roepen, opdat hij hen zou verschonen, en zijn
6 1, 51| op de dag dat de Here tot hen sprak, belachten zij zijn
7 1, 52| koningen der Chaldeeën tegen hen deed optrekken.~
8 1, 54| 54 Maar hij gaf hen allen in hun handen, en
9 2, 9 | 9 En die rondom hen waren, hielpen hen met allerlei
10 2, 9 | rondom hen waren, hielpen hen met allerlei dingen, met
11 2, 16| en de overigen die met hen verordineerd waren, en te
12 2, 25| aan de anderen, die met hen verordineerd waren, en in
13 2, 30| de schrijver en die met hen verordineerd waren tezamen,
14 3, 15| het geschrift werd voor hen gelezen en hij zeide:~
15 3, 16| binnen, en zij zeiden tot hen:~
16 4, 15| Wie is dan degene die over hen heerst, of die hen regeert?
17 4, 15| over hen heerst, of die hen regeert? zijn het niet de
18 4, 37| zijn onrecht; en daar is in hen geen waarheid, en in hun
19 4, 50| dat zij bewoonden, voor hen zonder schatting zou zijn:
20 5, 2 | 2 En Darius zond met hen duizend ruiters, om hen
21 5, 2 | hen duizend ruiters, om hen in vrede te geleiden naar
22 5, 3 | broederen speelden) en deden hen zo gezamenlijk met die optrekken.~
23 5, 40| Nehemia en Attaria zeiden tot hen, dat zij geen deel zouden
24 5, 50| volken des lands zich tegen hen vergaderden, omdat zij in
25 5, 50| omdat zij in vijandschap met hen waren.~
26 5, 68| geslachten, en zeiden tot hen, laat ons met u bouwen.~
27 5, 70| 70 Toen zeiden tot hen Zerubabel, en Jozua en de
28 5, 73| die in Judea woonden, en hen bezettende, verhinderden
29 6, 2 | de profeten des Heren bij hen waren, en hen hielpen.~
30 6, 2 | Heren bij hen waren, en hen hielpen.~
31 6, 3 | 3 In deze tijd kwam tot hen Sisinnes de ondervoogd van
32 6, 3 | metgezellen, en zeiden tot hen:~
33 6, 15| hadden verbitterd, zo gaf hij hen over in de handen van Nabuchodonosor,
34 7, 15| koning der Assyriërs tot hen had gewend, om hun handen
35 8, 20| koning, heb bevolen aan hen, die over de schatten van
36 8, 42| Gevel, en Jamaja, en met hen zeventig mannen; uit de
37 8, 43| 43 En ik verzamelde hen aan de rivier genoemd Thera,
38 8, 86| tijd vrede te hebben met hen, opdat gij machtig wordt
39 9, 7 | Ezra stond op, en zeide tot hen: Gijlieden hebt onrecht
40 9, 15| gevangenis waren, volgden hen hierin na.~
41 9, 52| en zendt geschenken aan hen, die niet hebben.~
42 9, 55| geschenken te geven aan hen die niet hadden, en zich
|