Chapter, Verse
1 1, 24| vanwege hen, die gezondigd hebben, en goddeloosheid bedreven
2 1, 24| en goddeloosheid bedreven hebben tegen de Here, meer dan
3 1, 24| koninkrijk, en die hem bedroefd hebben; en de woorden des Heren
4 2, 23| altijd afvallig en oproerig hebben aangesteld; om welker oorzaken
5 2, 24| gij geen toegang meer zult hebben in Celo-Syrië en Fenicië.~
6 2, 27| oorlogen daarin gevoerd hebben, en dat te Jeruzalem machtige
7 2, 27| machtige en strenge koningen hebben geregeerd, welke ook schattingen
8 2, 27| Celo-Syrië en Fenicië opgelegd hebben.~
9 3, 23| 23 Als zij wijn gedronken hebben, gedenken zij niet om vriendelijk
10 3, 24| zij niet wat zij gedaan hebben.~
11 4, 5 | koning: wat zij geroofd hebben en alle andere dingen.~
12 4, 6 | bouwen, wanneer ze gezaaid hebben, en nu maaien, zo brengen
13 4, 11| drinkt hij, slaapt hij, zo hebben zij de wacht ringswijze
14 4, 15| niet de vrouwen? De vrouwen hebben de koning ter wereld gebracht,
15 4, 16| 16 En zij hebben zelfs degenen opgevoed,
16 4, 18| allerlei fraaie zaken verzameld hebben, en een vrouw zien die schoon
17 4, 19| aanschouwen zij haar; en hebben meer begeerte tot haar,
18 4, 27| zijn verworgd geworden, en hebben gezondigd om der vrouwen
19 4, 39| onrecht en boos is, en allen hebben zij een welbehagen in haar
20 4, 45| welke de Idumeeërs verbrand hebben, toen Judea door de Chaldeeën
21 4, 53| bouwen, vrijheid zouden hebben, beide zij en hun nakomelingen,
22 5, 40| dat zij geen deel zouden hebben aan de geheiligde dingen,
23 6, 8 | stad Jeruzalem, bevonden hebben, dat de oudsten der Joden,
24 6, 12| 12 En wij hebben hun dit gevraagd, opdat
25 6, 12| hierover gesteld zijn; en wij hebben hun ook schriftelijk afgeëist
26 6, 13| 13 Maar zij hebben ons geantwoord en gezegd:
27 6, 16| huis afgebroken en verbrand hebben en hebben het volk gevankelijk
28 6, 16| afgebroken en verbrand hebben en hebben het volk gevankelijk naar
29 8, 14| vrienden voor Jeruzalem beloofd hebben; en al het goud en zilver,
30 8, 69| priesters, en de Levieten hebben zich niet afgezonderd van
31 8, 71| 71 Want zij hebben zich ten huwelijk gevoegd
32 8, 83| wij zeggen, dewijl wij dit hebben? want wij hebben uw geboden
33 8, 83| wij dit hebben? want wij hebben uw geboden overtreden, die
34 8, 84| komt om dat tot een erve te hebben, is een land, dat door de
35 8, 84| lands bezoedeld is, want zij hebben dat met hun onreinheid vervuld.~
36 8, 86| te eniger tijd vrede te hebben met hen, opdat gij machtig
37 8, 93| riep en zeide: Ezra, wij hebben gezondigd tegen de Here,
38 8, 93| gezondigd tegen de Here, wij hebben vreemde vrouwen ten huwelijk
39 9, 11| één dag of twee; want wij hebben hierin veel gezondigd.~
40 9, 12| inwoners uitlandse vrouwen hebben;~
41 9, 52| geschenken aan hen, die niet hebben.~
|