Table of Contents | Words: Alphabetical - Frequency - Inverse - Length - Statistics | Help | IntraText Library
Alphabetical    [«  »]
iedere 1
iemand 2
iets 2
ik 40
in 155
indië 1
indien 13
Frequency    [«  »]
42 hen
41 hebben
40 huis
40 ik
38 priesters
37 gij
37 wij

Het derde boek Ezra

IntraText - Concordances

ik

   Chapter, Verse
1 1, 26| tot hem, zeggende: Wat heb ik met u te doen, gij koning 2 1, 27| 27 Ik ben tegen u door God de 3 1, 30| mij af uit de strijd, want ik ben zeer zwak. En zijn knechten 4 2, 4 | En heeft mij bevolen, dat ik hem een huis zou bouwen 5 2, 26| 26 Ik heb de brief, die gij aan 6 2, 28| 28 Nu dan, zo heb ik bevolen, dat men deze mensen 7 4, 29| 29 Nochtans heb ik hem gezien en Apame, de 8 4, 46| 46 En nu dit is wat ik van u verzoek, heer koning, 9 4, 46| verzoek, heer koning, en dat ik van u begeer: en deze is 10 4, 46| mij van u geeist wordt. Ik bid dan dat gij de belofte 11 4, 59| uw is de heerlijkheid, en ik ben uw dienstknecht.~ 12 4, 60| wijsheid gegeven hebt, en ik dank u, o Here onzer vaderen.~ 13 6, 28| 28 En ik ook schreef hij heb daarbij 14 6, 34| 34 Ik, koning Darius, heb goedgevonden, 15 8, 11| 11 Daar ik voorgenomen heb goedertierenheid 16 8, 11| goedertierenheid te bewijzen zo heb ik bevolen, dat zij die dat 17 8, 14| Israëls gaven toebrengen, die ik en mijn vrienden voor Jeruzalem 18 8, 20| 20 En ik Artaxerxes, koning, heb 19 8, 30| 30 En ik werd welgemoed, naar de 20 8, 43| 43 En ik verzamelde hen aan de rivier 21 8, 43| leger drie dagen lang op, en ik overzag ze.~ 22 8, 45| 45 Zond ik tot Eleazar, en Iduël, en 23 8, 46| 46 En ik zeide hun, dat zij zouden 24 8, 51| 51 En ik beval daar een vasten aan 25 8, 52| 52 Want ik schaamde mij van de koning 26 8, 55| 55 En ik zonderde van de oversten 27 8, 56| 56 En ik woog hun het zilver en het 28 8, 57| 57 En als ik het gewogen had, heb ik 29 8, 57| ik het gewogen had, heb ik hun overgegeven zeshonderdvijftig 30 8, 59| 59 En ik zeide tot ben: Gijlieden 31 8, 72| 72 En zodra als ik dit hoorde, verscheurde 32 8, 72| dit hoorde, verscheurde ik mijn klederen, en mijn heilige 33 8, 72| en mijn heilige rok; en ik plukte mijn haren van mijn 34 8, 72| hoofd, en van mijn baard, en ik zat vol gedachten en zeer 35 8, 73| Heren, de God Israëls, daar ik treurig was over deze misdaad, 36 8, 73| was over deze misdaad, en ik zat droevig tot het avondoffer 37 8, 74| 74 En ik stond op van het vasten, 38 8, 74| verscheurd, en de heilige rok; en ik knielde neder, mijn handen 39 8, 74| uitstrekkende tot de Here, zeide ik:~ 40 8, 75| 75 Here, ik ben beschaamd, en bevreesd


Best viewed with any browser at 800x600 or 768x1024 on Tablet PC
IntraText® (V89) - Some rights reserved by EuloTech SRL - 1996-2007. Content in this page is licensed under a Creative Commons License