Chapter, Verse
1 1, 26| tot hem, zeggende: Wat heb ik met u te doen, gij koning
2 1, 27| 27 Ik ben tegen u door God de
3 1, 30| mij af uit de strijd, want ik ben zeer zwak. En zijn knechten
4 2, 4 | En heeft mij bevolen, dat ik hem een huis zou bouwen
5 2, 26| 26 Ik heb de brief, die gij aan
6 2, 28| 28 Nu dan, zo heb ik bevolen, dat men deze mensen
7 4, 29| 29 Nochtans heb ik hem gezien en Apame, de
8 4, 46| 46 En nu dit is wat ik van u verzoek, heer koning,
9 4, 46| verzoek, heer koning, en dat ik van u begeer: en deze is
10 4, 46| mij van u geeist wordt. Ik bid dan dat gij de belofte
11 4, 59| uw is de heerlijkheid, en ik ben uw dienstknecht.~
12 4, 60| wijsheid gegeven hebt, en ik dank u, o Here onzer vaderen.~
13 6, 28| 28 En ik ook schreef hij heb daarbij
14 6, 34| 34 Ik, koning Darius, heb goedgevonden,
15 8, 11| 11 Daar ik voorgenomen heb goedertierenheid
16 8, 11| goedertierenheid te bewijzen zo heb ik bevolen, dat zij die dat
17 8, 14| Israëls gaven toebrengen, die ik en mijn vrienden voor Jeruzalem
18 8, 20| 20 En ik Artaxerxes, koning, heb
19 8, 30| 30 En ik werd welgemoed, naar de
20 8, 43| 43 En ik verzamelde hen aan de rivier
21 8, 43| leger drie dagen lang op, en ik overzag ze.~
22 8, 45| 45 Zond ik tot Eleazar, en Iduël, en
23 8, 46| 46 En ik zeide hun, dat zij zouden
24 8, 51| 51 En ik beval daar een vasten aan
25 8, 52| 52 Want ik schaamde mij van de koning
26 8, 55| 55 En ik zonderde van de oversten
27 8, 56| 56 En ik woog hun het zilver en het
28 8, 57| 57 En als ik het gewogen had, heb ik
29 8, 57| ik het gewogen had, heb ik hun overgegeven zeshonderdvijftig
30 8, 59| 59 En ik zeide tot ben: Gijlieden
31 8, 72| 72 En zodra als ik dit hoorde, verscheurde
32 8, 72| dit hoorde, verscheurde ik mijn klederen, en mijn heilige
33 8, 72| en mijn heilige rok; en ik plukte mijn haren van mijn
34 8, 72| hoofd, en van mijn baard, en ik zat vol gedachten en zeer
35 8, 73| Heren, de God Israëls, daar ik treurig was over deze misdaad,
36 8, 73| was over deze misdaad, en ik zat droevig tot het avondoffer
37 8, 74| 74 En ik stond op van het vasten,
38 8, 74| verscheurd, en de heilige rok; en ik knielde neder, mijn handen
39 8, 74| uitstrekkende tot de Here, zeide ik:~
40 8, 75| 75 Here, ik ben beschaamd, en bevreesd
|