Chapter, Verse
1 1, 3 | des Heren te zetten in het huis, dat de koning Salomo de
2 1, 55| 55 En verbrandden het huis des Heren, en braken de
3 2, 4 | bevolen, dat ik hem een huis zou bouwen te Jeruzalem,
4 2, 5 | Jeruzalem in Judea, en bouwe het huis des Heren van Israël; deze
5 2, 8 | om op te trekken, en het huis des Heren te Jeruzalem te
6 3, 3 | keerden zij weder naar huis. Doch Darius, de koning,
7 4, 55| tot de dag toe dat het huis Gods zou voleindigd, en
8 5, 44| Jeruzalem kwamen, beloofden het huis Gods op te richten in zijn
9 5, 57| legden het fundament van het huis Gods in de nieuwe maan van
10 5, 58| de werken maakten in het huis des Heren.~
11 5, 62| over de oprichting van het huis des Heren.~
12 5, 63| die ouder waren, en het huis, dat voor dezen was, gezien
13 5, 64| Kwamen tot het gebouw van dit huis met schreien en met groot
14 5, 71| en u niet toe tezamen het huis te bouwen voor de Here onze
15 6, 2 | begonnen weder te bouwen het huis des Heren, dat te Jeruzalem
16 6, 4 | Wie heeft u bevolen dat huis te bouwen, en dat dak, en
17 6, 9 | waren een nieuw en groot huis voor de Here met gehouwen
18 6, 11| Wie heeft u bevolen dat huis te bouwen, en de grond van
19 6, 14| 14 En dit huis is van over zeer vele jaren
20 6, 16| 16 Welke dit huis afgebroken en verbrand hebben
21 6, 17| geschreven, dat men dit huis weder zou bouwen.~
22 6, 18| Nabuchodonosor weggevoerd had uit het huis Gods dat te Jeruzalem was,
23 6, 20| hij de fundamenten van het huis des Heren te Jeruzalem,
24 6, 22| wordt, dat de opbouw van het huis des Heren te Jeruzalem met
25 6, 24| koning Cyrus, dat men het huis des Heren te Jeruzalem zou
26 6, 25| onkosten zou geven uit het huis Cyrus de koning.~
27 6, 26| de heilige vaten van het huis des Heren, beide gouden
28 6, 26| Nabuchodonosor weggevoerd had uit het huis des Heren dat te Jeruzalem
29 6, 26| men weder brengen in het huis des Heren te Jeruzalem,
30 6, 27| de oudsten der Joden, dit huis des Heren zouden laten bouwen,
31 6, 28| hulp bewijze, totdat het huis des Heren voltooid is.~
32 6, 32| zal nemen van zijn eigen huis en hem daaraan zal hangen,
33 6, 33| verhinderen of te beschadigen dit huis des Heren te Jeruzalem.~
34 7, 5 | 5 Zo werd het heilige huis voltooid tot op de drieëntwintigste
35 8, 28| gegeven, opdat hij zijn huis, dat te Jeruzalem is, verheerlijken
36 8, 47| het priesterschap in het huis onzes Gods mochten bedienen.~
37 8, 56| de heilige vaten van het huis onzes Heren, welke de koning,
38 8, 60| Jeruzalem, in de cellen van het huis onzes Gods.~
39 8, 63| goud overgeleverd in het huis des Heren, aan Marmoth,
40 8, 80| licht te ontdekken in het huis des Heren onzes Gods, en
|