Chapter, Verse
1 1, 2 | 2 En stelde de priesters, die met lange klederen
2 1, 8 | aan het volk en aan de priesters en de Levieten gegeven.~
3 1, 9 | tempels waren, schonken aan de priesters voor het Pascha, tweeduizendzeshonderd
4 1, 10| geschiedden, zo stonden de priesters en Levieten, hebbende de
5 1, 13| voor zichzelf, en voor de priesters, hun broederen, de zonen
6 1, 14| 14 Want de priesters offerden het vette, totdat
7 1, 14| voor zichzelf, en voor de priesters, hun broederen, de zonen
8 1, 21| Josia gehouden heeft, en de priesters en de Levieten, en de Joden
9 1, 49| oversten des volks en der priesters bedreven vele goddeloosheden,
10 2, 8 | Juda en Benjamin, en de priesters en Levieten, en al degenen,
11 4, 53| nakomelingen, met al de priesters die mede zouden opgaan.~
12 4, 54| ook van het onderhoud der priesters, en van de priesterlijke
13 5, 5 | 5 De priesters: de zonen van Pinehas, de
14 5, 24| 24 De priesters: de kinderen van Jeddu,
15 5, 38| 38 En uit de priesters, die het priesterschap bedienden,
16 5, 46| 46 En de priesters en Levieten, en die van
17 5, 48| Josedek, en zijn broeders de priesters, met Zerubabel, de zoon
18 5, 56| en hun broederen, en de priesters, de Levieten, en allen die
19 5, 59| tempel des Heren, en de priesters stonden in lange klederen
20 5, 63| 63 Doch enigen uit de priesters en Levieten, en oversten
21 6, 30| alle jaren; gelijk dan de priesters, die te Jeruzalem zijn,
22 7, 6 | kinderen Israëls, en de priesters en de Levieten, en de anderen
23 7, 9 | 9 En de priesters en de Levieten stonden naar
24 7, 10| der eerste maand, als de priesters en Levieten geheiligd waren.~
25 7, 12| en voor hun broederen de priesters, en voor zichzelf.~
26 8, 5 | kinderen Israëls, en uit de priesters en Levieten, en uit de heilige
27 8, 11| uit het Joodse volk, en de priesters, en de Levieten in ons koninkrijk
28 8, 24| wordt ook geboden, dat geen priesters, noch Levieten, noch heilige
29 8, 44| 44 En uit de priesters en uit de Levieten niemand
30 8, 55| zonderde van de oversten der priesters twaalf mannen af, en Eresebia,
31 8, 60| overlevert aan de oversten der priesters en Levieten, en aan de oversten
32 8, 61| 61 En deze priesters en Levieten, die dit zilver,
33 8, 69| Israëls, en de oversten, en de priesters, en de Levieten hebben zich
34 8, 78| onze koningen, en met onze priesters overgegeven met schande,
35 8, 97| beëedigde de oversten der priesters en Levieten van gans Israël,
36 9, 18| 18 En onder de priesters werden gevonden, die uitlandse
37 9, 37| 37 En de priesters, en de Levieten, en die
38 9, 40| der vrouwen, en voor al de priesters om de wet te horen, op de
|