Chapter, Verse
1 2, 24| 24 Zo doen wij nu u Heer koning weten,
2 4, 42| dan er geschreven is, en wij zullen het u geven, daar
3 5, 69| 69 Want wij behoren aan uw God gelijk
4 5, 72| 72 Maar wij zullen alleen voor de Here
5 6, 8 | onze Heer de koning, dat wij aangekomen zijnde in het
6 6, 11| 11 Toen vroegen wij deze oudsten, en zeiden:
7 6, 12| 12 En wij hebben hun dit gevraagd,
8 6, 12| hun dit gevraagd, opdat wij het u zouden bekend maken,
9 6, 12| hierover gesteld zijn; en wij hebben hun ook schriftelijk
10 6, 13| ons geantwoord en gezegd: Wij zijn kinderen des Heren,
11 8, 43| rivier genoemd Thera, en wij sloegen daar ons leger drie
12 8, 53| 53 Want wij hadden tegen de koning gezegd,
13 8, 54| 54 En wij baden al deze dingen van
14 8, 54| deze dingen van de Here, en wij vonden hem zeer genadig.~
15 8, 62| 62 En wij trokken weder op van de
16 8, 62| der eerste maand, totdat wij gekomen zijn te Jeruzalem,
17 8, 63| aan van alle vijanden; en wij kwamen te Jeruzalem, en
18 8, 63| kwamen te Jeruzalem, en als wij daar drie dagen geweest
19 8, 77| 77 En wij zijn in grote zonde tot
20 8, 78| zonden onzer vaderen. zijn wij met onze broederen en met
21 8, 81| 81 Ja, toen wij knechten waren, zo zijn
22 8, 81| knechten waren, zo zijn wij niet verlaten door de Here
23 8, 83| En nu, Here, wat zullen wij zeggen, dewijl wij dit hebben?
24 8, 83| zullen wij zeggen, dewijl wij dit hebben? want wij hebben
25 8, 83| dewijl wij dit hebben? want wij hebben uw geboden overtreden,
26 8, 88| in het land gegeven, en wij zijn weder achterwaarts
27 8, 88| wet te overtreden, zodat wij vermengd zijn met de onreinheid
28 8, 90| Israëls, gij zijt waarachtig; wij zijn tot een wortel overgelaten
29 8, 91| 91 Zie, wij zijn nu voor u in onze misdaden:
30 8, 91| u in onze misdaden: want wij kunnen om dezer wil niet
31 8, 93| Israëls riep en zeide: Ezra, wij hebben gezondigd tegen de
32 8, 93| gezondigd tegen de Here, wij hebben vreemde vrouwen ten
33 8, 94| geschieden voor de Here, dat wij al onze vrouwen, die van
34 8, 96| u komt deze zaak toe, en wij zijn met u om de kracht
35 9, 10| en zeide met luider stem: Wij zullen alzo doen gelijk
36 9, 11| en het is wintertijd, en wij kunnen niet staan onder
37 9, 11| van één dag of twee; want wij hebben hierin veel gezondigd.~
|