Table of Contents | Words: Alphabetical - Frequency - Inverse - Length - Statistics | Help | IntraText Library
Alphabetical    [«  »]
wie 7
wiens 2
wier 2
wij 37
wijn 10
wijngaarden 1
wijns 1
Frequency    [«  »]
40 ik
38 priesters
37 gij
37 wij
36 levieten
34 nu
34 ons

Het derde boek Ezra

IntraText - Concordances

wij

   Chapter, Verse
1 2, 24| 24 Zo doen wij nu u Heer koning weten, 2 4, 42| dan er geschreven is, en wij zullen het u geven, daar 3 5, 69| 69 Want wij behoren aan uw God gelijk 4 5, 72| 72 Maar wij zullen alleen voor de Here 5 6, 8 | onze Heer de koning, dat wij aangekomen zijnde in het 6 6, 11| 11 Toen vroegen wij deze oudsten, en zeiden: 7 6, 12| 12 En wij hebben hun dit gevraagd, 8 6, 12| hun dit gevraagd, opdat wij het u zouden bekend maken, 9 6, 12| hierover gesteld zijn; en wij hebben hun ook schriftelijk 10 6, 13| ons geantwoord en gezegd: Wij zijn kinderen des Heren, 11 8, 43| rivier genoemd Thera, en wij sloegen daar ons leger drie 12 8, 53| 53 Want wij hadden tegen de koning gezegd, 13 8, 54| 54 En wij baden al deze dingen van 14 8, 54| deze dingen van de Here, en wij vonden hem zeer genadig.~ 15 8, 62| 62 En wij trokken weder op van de 16 8, 62| der eerste maand, totdat wij gekomen zijn te Jeruzalem, 17 8, 63| aan van alle vijanden; en wij kwamen te Jeruzalem, en 18 8, 63| kwamen te Jeruzalem, en als wij daar drie dagen geweest 19 8, 77| 77 En wij zijn in grote zonde tot 20 8, 78| zonden onzer vaderen. zijn wij met onze broederen en met 21 8, 81| 81 Ja, toen wij knechten waren, zo zijn 22 8, 81| knechten waren, zo zijn wij niet verlaten door de Here 23 8, 83| En nu, Here, wat zullen wij zeggen, dewijl wij dit hebben? 24 8, 83| zullen wij zeggen, dewijl wij dit hebben? want wij hebben 25 8, 83| dewijl wij dit hebben? want wij hebben uw geboden overtreden, 26 8, 88| in het land gegeven, en wij zijn weder achterwaarts 27 8, 88| wet te overtreden, zodat wij vermengd zijn met de onreinheid 28 8, 90| Israëls, gij zijt waarachtig; wij zijn tot een wortel overgelaten 29 8, 91| 91 Zie, wij zijn nu voor u in onze misdaden: 30 8, 91| u in onze misdaden: want wij kunnen om dezer wil niet 31 8, 93| Israëls riep en zeide: Ezra, wij hebben gezondigd tegen de 32 8, 93| gezondigd tegen de Here, wij hebben vreemde vrouwen ten 33 8, 94| geschieden voor de Here, dat wij al onze vrouwen, die van 34 8, 96| u komt deze zaak toe, en wij zijn met u om de kracht 35 9, 10| en zeide met luider stem: Wij zullen alzo doen gelijk 36 9, 11| en het is wintertijd, en wij kunnen niet staan onder 37 9, 11| van één dag of twee; want wij hebben hierin veel gezondigd.~


Best viewed with any browser at 800x600 or 768x1024 on Tablet PC
IntraText® (V89) - Some rights reserved by EuloTech SRL - 1996-2007. Content in this page is licensed under a Creative Commons License