Chapter, Verse
1 1, 4 | 4 En zeide: Gij moogt deze niet meer op
2 1, 26| Wat heb ik met u te doen, gij koning Juda?~
3 2, 22| 22 En gij zult in de gedenkboeken,
4 2, 24| haar muren weder opgericht, gij geen toegang meer zult hebben
5 2, 26| 26 Ik heb de brief, die gij aan mij gezonden hebt, gelezen,
6 4, 22| 22 Ook hieruit moet gij weten, dat de vrouwen u
7 4, 23| 23 En werkt gij niet, en arbeidt gij niet?
8 4, 23| werkt gij niet, en arbeidt gij niet? en geeft gij niet
9 4, 23| arbeidt gij niet? en geeft gij niet alles, en brengt het
10 4, 28| 28 En nu, gelooft gij mij niet? Is de koning niet
11 4, 42| koning tot hem, eis wat gij wilt ja meer dan er geschreven
12 4, 42| zullen het u geven, daar gij wijzer bevonden zijt dan
13 4, 42| zijt dan de anderen, en gij zult naast mij zitten, en
14 4, 43| Gedenk aan uw belofte, die gij beloofd hebt, van Jeruzalem
15 4, 43| bouwen, op de dag waarop gij uw koninkrijk ontvangen
16 4, 44| 44 En dat gij al de vaten, die uit Jeruzalem
17 4, 45| 45 En gij hebt beloofd de tempel te
18 4, 46| geeist wordt. Ik bid dan dat gij de belofte volbrengt, die
19 4, 46| de belofte volbrengt, die gij de Koning des hemels met
20 4, 60| 60 Geloofd zijt gij, die mij wijsheid gegeven
21 5, 69| behoren aan uw God gelijk als gij, en doen hem offeranden,
22 8, 17| 17 En alles wat gij en uw broederen zult willen
23 8, 19| 19 Die zult gij geven uit des konings schatkamer.~
24 8, 26| 26 En gij Ezra, naar de wijsheid Gods,
25 8, 60| waakt, en bewaart ze, totdat gij ze overlevert aan de oversten
26 8, 83| geboden overtreden, die gij ons gegeven hebt door de
27 8, 84| 84 Het land waarin gij komt om dat tot een erve
28 8, 85| 85 En nu zult gij uw dochteren niet geven
29 8, 85| zonen, en hun dochteren zult gij niet nemen voor uw zonen.~
30 8, 86| 86 En gij zult niet zoeken te eniger
31 8, 86| te hebben met hen, opdat gij machtig wordt en eet het
32 8, 88| 88 Want gij, Here, die onze zonden hebt
33 8, 89| 89 Zoudt gij dan over ons niet vertoornd
34 8, 89| niet vertoornd zijn totdat gij ons uitgeroeid hebt? totdat
35 8, 89| uitgeroeid hebt? totdat gij noch onze wortel, noch zaad,
36 8, 90| 90 Here Israëls, gij zijt waarachtig; wij zijn
37 9, 10| zullen alzo doen gelijk gij gezegd hebt:~
|