Table of Contents | Words: Alphabetical - Frequency - Inverse - Length - Statistics | Help | IntraText Library
Alphabetical    [«  »]
gezonden 2
gezondigd 5
giften 1
gij 37
gijlieden 2
ging 1
gingen 3
Frequency    [«  »]
40 huis
40 ik
38 priesters
37 gij
37 wij
36 levieten
34 nu

Het derde boek Ezra

IntraText - Concordances

gij

   Chapter, Verse
1 1, 4 | 4 En zeide: Gij moogt deze niet meer op 2 1, 26| Wat heb ik met u te doen, gij koning Juda?~ 3 2, 22| 22 En gij zult in de gedenkboeken, 4 2, 24| haar muren weder opgericht, gij geen toegang meer zult hebben 5 2, 26| 26 Ik heb de brief, die gij aan mij gezonden hebt, gelezen, 6 4, 22| 22 Ook hieruit moet gij weten, dat de vrouwen u 7 4, 23| 23 En werkt gij niet, en arbeidt gij niet? 8 4, 23| werkt gij niet, en arbeidt gij niet? en geeft gij niet 9 4, 23| arbeidt gij niet? en geeft gij niet alles, en brengt het 10 4, 28| 28 En nu, gelooft gij mij niet? Is de koning niet 11 4, 42| koning tot hem, eis wat gij wilt ja meer dan er geschreven 12 4, 42| zullen het u geven, daar gij wijzer bevonden zijt dan 13 4, 42| zijt dan de anderen, en gij zult naast mij zitten, en 14 4, 43| Gedenk aan uw belofte, die gij beloofd hebt, van Jeruzalem 15 4, 43| bouwen, op de dag waarop gij uw koninkrijk ontvangen 16 4, 44| 44 En dat gij al de vaten, die uit Jeruzalem 17 4, 45| 45 En gij hebt beloofd de tempel te 18 4, 46| geeist wordt. Ik bid dan dat gij de belofte volbrengt, die 19 4, 46| de belofte volbrengt, die gij de Koning des hemels met 20 4, 60| 60 Geloofd zijt gij, die mij wijsheid gegeven 21 5, 69| behoren aan uw God gelijk als gij, en doen hem offeranden, 22 8, 17| 17 En alles wat gij en uw broederen zult willen 23 8, 19| 19 Die zult gij geven uit des konings schatkamer.~ 24 8, 26| 26 En gij Ezra, naar de wijsheid Gods, 25 8, 60| waakt, en bewaart ze, totdat gij ze overlevert aan de oversten 26 8, 83| geboden overtreden, die gij ons gegeven hebt door de 27 8, 84| 84 Het land waarin gij komt om dat tot een erve 28 8, 85| 85 En nu zult gij uw dochteren niet geven 29 8, 85| zonen, en hun dochteren zult gij niet nemen voor uw zonen.~ 30 8, 86| 86 En gij zult niet zoeken te eniger 31 8, 86| te hebben met hen, opdat gij machtig wordt en eet het 32 8, 88| 88 Want gij, Here, die onze zonden hebt 33 8, 89| 89 Zoudt gij dan over ons niet vertoornd 34 8, 89| niet vertoornd zijn totdat gij ons uitgeroeid hebt? totdat 35 8, 89| uitgeroeid hebt? totdat gij noch onze wortel, noch zaad, 36 8, 90| 90 Here Israëls, gij zijt waarachtig; wij zijn 37 9, 10| zullen alzo doen gelijk gij gezegd hebt:~


Best viewed with any browser at 800x600 or 768x1024 on Tablet PC
IntraText® (V89) - Some rights reserved by EuloTech SRL - 1996-2007. Content in this page is licensed under a Creative Commons License