Chapter, Verse
1 1, 3 | 3 En hij zeide tot de Levieten, die het heilige in Israël
2 1, 5 | oversten uwer vaderen, de Levieten, die voor uw broederen de
3 1, 8 | en aan de priesters en de Levieten gegeven.~
4 1, 9 | overste over duizend, gaven de Levieten, voor het Pascha vijfduizend
5 1, 10| stonden de priesters en Levieten, hebbende de ongehevelde
6 1, 14| totdat de tijd verliep; en de Levieten bereidden het voor zichzelf,
7 1, 16| aftreden. Want hun broeders, de Levieten, bereidden het voor hen.~
8 1, 21| heeft, en de priesters en de Levieten, en de Joden en geheel Israël,
9 2, 8 | Benjamin, en de priesters en Levieten, en al degenen, wier geest
10 4, 55| hij schreef, dat men de Levieten onderhoud zou geven, tot
11 5, 26| 26 De Levieten: de kinderen Jozut en Kadoëli
12 5, 46| 46 En de priesters en Levieten, en die van dit volk waren,
13 5, 56| broederen, en de priesters, de Levieten, en allen die uit de gevangenis
14 5, 58| 58 En stelden de Levieten, die boven de twintig jaren
15 5, 58| zonen en broederen; al deze Levieten zetten het werk eendrachtig
16 5, 59| snarenspel en bazuinen; en de Levieten, de kinderen van Asaf, met
17 5, 63| enigen uit de priesters en Levieten, en oversten naar hun geslachten,
18 7, 6 | Israëls, en de priesters en de Levieten, en de anderen die uit de
19 7, 9 | 9 En de priesters en de Levieten stonden naar de geslachten,
20 7, 10| maand, als de priesters en Levieten geheiligd waren.~
21 7, 11| tezamen geheiligd, maar de Levieten waren tezamen geheiligd.~
22 8, 5 | en uit de priesters en Levieten, en uit de heilige zangers
23 8, 11| en de priesters, en de Levieten in ons koninkrijk zijnde,
24 8, 24| dat geen priesters, noch Levieten, noch heilige zangers, noch
25 8, 44| uit de priesters en uit de Levieten niemand daar vindende,~
26 8, 50| hadden tot het werk der Levieten, tweehonderdentwintig dienaars
27 8, 60| oversten der priesters en Levieten, en aan de oversten der
28 8, 61| 61 En deze priesters en Levieten, die dit zilver, en goud,
29 8, 64| de zoon van Laban: en de Levieten leverden het alles over
30 8, 69| en de priesters, en de Levieten hebben zich niet afgezonderd
31 8, 97| oversten der priesters en Levieten van gans Israël, dat zij
32 9, 23| 23 En van de Levieten: Josabad, en Semeïs, Kovis (
33 9, 37| 37 En de priesters, en de Levieten, en die anderen uit Israël
34 9, 48| Jozabdus, en Ananias, de Levieten, leerden de wet des Heren.~
35 9, 50| en leermeester, en tot de Levieten die het volk boven allen
36 9, 54| 54 En de Levieten bevalen het ganse volk,
|