Chapter, Verse
1 1, 5 | voorschrift Davids; de koning Israëls, en naar de heerlijke instelling
2 1, 5 | uw broederen de kinderen Israëls dienen.~
3 1, 19| 19 En de kinderen Israëls, die daar op die tijd gevonden
4 1, 21| 21 En geen koning Israëls heeft zodanig Pascha gehouden,
5 1, 32| door geheel het geslacht Israëls.~
6 2, 3 | koning der Perzen: De Here Israëls, de allerhoogste Here, heeft
7 5, 47| maand kwam, en de kinderen Israëls elk in hun woning waren,
8 5, 49| bereidden het altaar van de God Israëls, om daarop brandofferen
9 5, 67| bouwden voor de Here de God Israëls.~
10 5, 70| der vaderlijke geslachten Israëls:~
11 5, 72| zullen alleen voor de Here Israëls bouwen, volgens hetgeen
12 6, 1 | waren, in de naam van de God Israëls.~
13 6, 14| groot en machtig koning Israëls, en is voltooid.~
14 6, 15| onze vaders tegen de Here Israëls, die in de hemel is, hadden
15 7, 6 | 6 En de kinderen Israëls, en de priesters en de Levieten,
16 7, 8 | zonden des gansen volks Israëls twaalf bokken, naar het
17 7, 8 | van de twaalf geslachten Israëls,~
18 7, 9 | werken des Heren, de God Israëls, volgens het boek van Mozes:
19 7, 10| 10 En de kinderen Israëls, die uit de gevangenis waren,
20 7, 11| 11 Doch al de kinderen Israëls, die uit de gevangenis waren
21 7, 13| 13 En de kinderen Israëls, die uit de gevangenis waren,
22 7, 15| werken des Heren, de God Israëls.~
23 8, 3 | Mozes, die door de Gods Israëls was gegeven.~
24 8, 5 | sommigen op, uit de kinderen Israëls, en uit de priesters en
25 8, 14| 14 En zij de Here Israëls gaven toebrengen, die ik
26 8, 60| oversten der vaderlijke huizen Israëls te Jeruzalem, in de cellen
27 8, 66| offeranden de Here de God Israëls, twaalf stieren, voor het
28 8, 69| mij, en zeiden: Het volk Israëls, en de oversten, en de priesters,
29 8, 73| woord des Heren, de God Israëls, daar ik treurig was over
30 8, 90| 90 Here Israëls, gij zijt waarachtig; wij
31 8, 93| van Jeëli, uit de kinderen Israëls riep en zeide: Ezra, wij
32 9, 37| zevende maand, en de kinderen Israëls waren in hun woonplaatsen.~
33 9, 39| die door de Here, de God Israëls was gegeven.~
|