Chapter, Verse
1 1, 26| zeggende: Wat heb ik met u te doen, gij koning Juda?~
2 1, 27| 27 Ik ben tegen u door God de Here niet uitgezonden,
3 1, 27| is haastig bij mij; wend u af van mij, en stel u niet
4 1, 27| wend u af van mij, en stel u niet tegen de Here.~
5 2, 5 | Indien er dan iemand van u is uit zijn volk, de Here
6 2, 18| gemaakt, dat de Joden, die van u tot ons wedergekeerd, en
7 2, 21| laten weten, opdat, zo het u goeddunkt, in de boeken
8 2, 24| 24 Zo doen wij nu u Heer koning weten, dat indien
9 4, 22| gij weten, dat de vrouwen u regeren.~
10 4, 42| geschreven is, en wij zullen het u geven, daar gij wijzer bevonden
11 4, 46| En nu dit is wat ik van u verzoek, heer koning, en
12 4, 46| heer koning, en dat ik van u begeer: en deze is de heerlijkheid,
13 4, 46| heerlijkheid, die door mij van u geeist wordt. Ik bid dan
14 4, 59| 59 Van u is de overwinning, en van
15 4, 59| is de overwinning, en van u is de wijsheid, en uw is
16 4, 60| gegeven hebt, en ik dank u, o Here onzer vaderen.~
17 5, 68| zeiden tot hen, laat ons met u bouwen.~
18 5, 71| 71 Het komt ons en u niet toe tezamen het huis
19 6, 4 | 4 Wie heeft u bevolen dat huis te bouwen,
20 6, 11| oudsten, en zeiden: Wie heeft u bevolen dat huis te bouwen,
21 6, 12| gevraagd, opdat wij het u zouden bekend maken, en
22 6, 12| zouden bekend maken, en u mogen aanschrijven welke
23 6, 21| 21 Nu dan, indien het u goeddunkt heer koning, zo
24 8, 11| ons koninkrijk zijnde, met u zullen mogen reizen naar
25 8, 18| heilige vaten des Heren, die u gegeven zijn tot het gebruik
26 8, 91| 91 Zie, wij zijn nu voor u in onze misdaden: want wij
27 8, 91| dezer wil niet langer voor u bestaan.~
28 8, 95| 95 Gelijk u zal goeddunken, en al degenen
29 8, 96| 96 Want u komt deze zaak toe, en wij
30 8, 96| zaak toe, en wij zijn met u om de kracht daarbij te
31 9, 9 | doet zijn wil, en scheidt u van de volken van dit land,
32 9, 53| droevig, want de Here zal u verheerlijken.~
|