Chapter, Verse
1 1, 9 | Ochiël en Joram, overste over duizend, gaven de Levieten,
2 1, 32| geheel Juda treurden zij over Josia, en Jeremia, de profeet
3 1, 37| broeder Jojakim tot koning over Juda en Jeruzalem;~
4 1, 39| oud, toen hij koning werd over Judea en Jeruzalem, en deed
5 1, 46| En maakte Zedekia koning over Judea en Jeruzalem; die
6 1, 52| Totdat hij vertoornd zijnde over zijn volk vanwege hun goddeloosheid,
7 2, 1 | 1 ALS Cyrus over de Perzen regeerde, in het
8 2, 3 | heeft mij tot koning gemaakt over de gehele aarde;~
9 2, 11| gebracht hebbende, gaf deze over aan Mithridates, zijn schatmeester;~
10 2, 17| dienaars Rathymus, gesteld over de voorvallende zaken, en
11 2, 25| Rathymus, de schrijver, die over de voorvallende zaken gesteld
12 4, 15| 15 Wie is dan degene die over hen heerst, of die hen regeert?
13 5, 55| zouden toebrengen, om vlotten over te voeren naar de haven
14 5, 58| de twintig jaren waren, over de werken des Heren; en
15 5, 61| is tot in der eeuwigheid, over geheel Israël.~
16 5, 62| stem, zingende de Here, over de oprichting van het huis
17 6, 1 | Zacharia de zoon van Addo, over de Joden, die in Judea en
18 6, 5 | het onderzoek gedaan was over de gevangenissen, zo hadden
19 6, 14| 14 En dit huis is van over zeer vele jaren gebouwd
20 6, 15| verbitterd, zo gaf hij hen over in de handen van Nabuchodonosor,
21 6, 17| het eerste jaar dat Cyrus over het land van Babylonië regeerde,
22 7, 9 | bekleed met lange klederen, over de werken des Heren, de
23 8, 20| heb bevolen aan hen, die over de schatten van Syrië en
24 8, 23| de toorn Gods niet kome over het koninkrijk des konings,
25 8, 62| sterke hand onzes Heren, die over ons was.~
26 8, 64| Levieten leverden het alles over naar het getal en gewicht;~
27 8, 68| gaven de bevelen des konings over, aan de rentmeesters des
28 8, 73| Israëls, daar ik treurig was over deze misdaad, en ik zat
29 8, 79| Here, om ons een wortel over te laten, en een naam, in
30 8, 89| 89 Zoudt gij dan over ons niet vertoornd zijn
31 9, 2 | geen water, treurig zijnde over de grote overtredingen der
32 9, 20| offerden tot verzoening over hun misdaden.~
|