Chapter, Verse
1 3, 19| 19 O mannen, hoe oversterk is de wijn;
2 3, 25| 25 O mannen, is de wijn niet de sterkste,
3 4, 2 | 2 O mannen, zijn niet de mensen de
4 4, 12| 12 O mannen, hoe is dan de koning niet
5 4, 14| 14 O mannen, niet de grote koning, noch
6 4, 32| 32 O mannen, hoe zijn dan de vrouwen
7 4, 34| 34 O mannen, zijn niet de vrouwen sterk!
8 5, 4 | Dit nu zijn de namen der mannen die optrokken, naar de huizen
9 6, 12| mogen aanschrijven welke de mannen zijn, die hierover gesteld
10 8, 30| mijns Gods; en vergaderde mannen uit Israël, opdat zij met
11 8, 33| aangetekend honderdenvijftig mannen.~
12 8, 34| en met hem tweehonderd mannen.~
13 8, 35| en met hem driehonderd mannen.~
14 8, 36| met hem tweehonderdvijftig mannen.~
15 8, 37| Gotholia, en met hem zeventig mannen; uit de kinderen van Safatja,
16 8, 37| Michaël, en met hem zeventig mannen.~
17 8, 38| hem tweehonderdentwaalf mannen.~
18 8, 39| met hem honderdenzestig mannen.~
19 8, 40| en met hem achtentwintig mannen.~
20 8, 41| en met hem honderdentien mannen.~
21 8, 42| Jamaja, en met hen zeventig mannen; uit de kinderen van Bagenthi,
22 8, 42| Istaleumi, en met hem zeventig mannen.~
23 8, 48| Heren, enige verstandige mannen uit de kinderen van Moöli,
24 8, 49| Chanun, en hun zonen, twintig mannen;~
25 8, 55| oversten der priesters twaalf mannen af, en Eresebia, en Lamia
26 8, 55| hun broederen nog twaalf mannen.~
27 8, 92| grote schare uit Jeruzalem, mannen, en vrouwen, en jongelingen,
28 9, 16| tot zich de voornaamste mannen van hun vaderlijke huizen,
29 9, 17| einde gebracht, aangaande de mannen die uitlandse vrouwen hadden,
30 9, 40| de ganse menigte, zo der mannen als der vrouwen, en voor
31 9, 41| de tegenwoordigheid van mannen en vrouwen; en de gehele
|