Chapter, Verse
1 1, 8 | 8 Dit werd uit de goederen des
2 1, 22| koninkrijks van Josia is dit Pascha gehouden.~
3 2, 3 | 3 Dit zegt Cyrus, de koning der
4 3, 25| de sterkste, dewijl hij dit dwingt te doen? En hij zweeg
5 4, 46| 46 En nu dit is wat ik van u verzoek,
6 4, 61| Babylonië, en hij verkondigde dit al zijn broederen.~
7 5, 4 | 4 Dit nu zijn de namen der mannen
8 5, 39| 39 En als dit geslachtschrift werd gezocht
9 5, 46| en Levieten, en die van dit volk waren, zetten zich
10 5, 64| Kwamen tot het gebouw van dit huis met schreien en met
11 5, 73| 73 En de volken van dit land drongen op degenen
12 6, 4 | wie zijn de bouwlieden die dit opmaken?~
13 6, 6 | geschreven en gezonden, is dit:~
14 6, 12| 12 En wij hebben hun dit gevraagd, opdat wij het
15 6, 14| 14 En dit huis is van over zeer vele
16 6, 16| 16 Welke dit huis afgebroken en verbrand
17 6, 17| Cyrus geschreven, dat men dit huis weder zou bouwen.~
18 6, 27| en de oudsten der Joden, dit huis des Heren zouden laten
19 6, 30| dagelijks gebezigd wordt en dit zonder vertraging.~
20 6, 33| verhinderen of te beschadigen dit huis des Heren te Jeruzalem.~
21 8, 6 | regeerde in de vijfde maand, (dit is het zevende jaar des
22 8, 28| God mijner vaderen, die dit in het hart des konings
23 8, 61| priesters en Levieten, die dit zilver, en goud, en de vaten
24 8, 69| van de vreemde volken van dit land, en van hun onreinheden:~
25 8, 72| 72 En zodra als ik dit hoorde, verscheurde ik mijn
26 8, 83| zullen wij zeggen, dewijl wij dit hebben? want wij hebben
27 9, 5 | drie dagen te Jeruzalem; dit was de negende maand, en
28 9, 9 | scheidt u van de volken van dit land, en van de uitlandse
29 9, 11| onder de blauwe hemel, en dit is geen werk voor ons van
30 9, 13| geweerd zij, ter oorzake van dit gebod.~
31 9, 14| Esekia, de zoon van Theoran, dit volgens deze bepaling aan:
|