Chapter, Verse
1 1, 34| in plaats van zijn vader, toen hij drieëntwintig jaren
2 1, 39| vijfentwintig jaren oud, toen hij koning werd over Judea
3 1, 43| hij was achttien jaren oud toen hij koning gemaakt werd;~
4 2, 8 | 8 Toen stonden op de voornaamsten
5 2, 25| 25 Toen schreef de koning terug
6 2, 30| 30 Toen nu hetgeen van de koning
7 3, 4 | 4 Toen zeiden de drie jongelingen,
8 3, 8 | 8 Toen schreef een ieder zijn eigen
9 4, 1 | 1 TOEN begon de tweede te spreken,
10 4, 33| 33 Toen zagen de koning en de groten
11 4, 41| stil. En al het volk riep toen, en sprak toen: Groot is
12 4, 41| volk riep toen, en sprak toen: Groot is de waarheid, en
13 4, 42| 42 Toen zeide de koning tot hem,
14 4, 43| 43 Toen zeide hij tot de koning:
15 4, 44| Cyrus afgezonderd heeft, toen hij beloofde Babylon te
16 4, 45| Idumeeërs verbrand hebben, toen Judea door de Chaldeeën
17 4, 47| 47 Toen stond de koning Darius op,
18 4, 58| 58 En toen de jongeling uitging, verhief
19 5, 47| 47 En toen nu de zevende maand kwam,
20 5, 70| 70 Toen zeiden tot hen Zerubabel,
21 6, 2 | 2 Toen stond op Zerubabel, de zoon
22 6, 11| 11 Toen vroegen wij deze oudsten,
23 6, 20| 20 Toen nu Sabanasser daar gekomen
24 6, 23| 23 Toen heeft de koning Darius bevolen,
25 7, 1 | 1 TOEN zijn Sisinnes de ondervoogd
26 8, 73| zijn vergaderd allen die toen bewogen werden door het
27 8, 81| 81 Ja, toen wij knechten waren, zo zijn
28 8, 92| 92 En toen Ezra bad, en de zonden bekende,
29 9, 10| 10 Toen riep de ganse menigte, en
30 9, 14| 14 Toen nam Jonathas, de zoon van
|