Chapter, Verse
1 2, 7 | en met andere dingen, die men als geloften toebrengt in
2 2, 20| 20 Dewijl men dan in het werk is met hetgeen
3 2, 28| zo heb ik bevolen, dat men deze mensen zal verhinderen
4 2, 28| hun stad te bouwen; en dat men daarop acht hebbe, dat niets
5 4, 7 | 7 Indien hij zegt dat men dode, zo doden zij; indien
6 4, 7 | zij; indien hij zegt dat men aflate, zo laten zij af.~
7 4, 8 | 8 Zegt hij dat men sla, zo slaan zij; zegt
8 4, 8 | slaan zij; zegt hij dat men verwoeste, zo verwoesten
9 4, 8 | verwoesten zij; zegt hij dat men bouwe, zo bouwen zij.~
10 4, 9 | 9 Zegt hij dat men afbreke, zo breken zij af;
11 4, 9 | breken zij af; zegt hij dat men plante, zo planten zij;~
12 4, 12| koning niet de sterkste, die men alzo gehoorzaamt? en hij
13 4, 55| 55 En hij schreef, dat men de Levieten onderhoud zou
14 4, 56| 56 En schreef, dat men allen, die de stad bewaarden,
15 6, 5 | verhinderd in de bouw, totdat men Darius hiervan zou doen
16 6, 5 | hiervan zou doen weten, en men antwoord zou bekomen.~
17 6, 17| koning Cyrus geschreven, dat men dit huis weder zou bouwen.~
18 6, 23| koning Darius bevolen, dat men zou onderzoeken in de boekkassen
19 6, 24| gebood de koning Cyrus, dat men het huis des Heren te Jeruzalem
20 6, 24| Jeruzalem zou bouwen, waar men offeranden doen zou door
21 6, 25| hout van dat land, en dat men de onkosten zou geven uit
22 6, 26| Babylon gebracht had, die zou men weder brengen in het huis
23 6, 28| zullen opbouwen, en dat men wel toezie, dat men de Joden,
24 6, 28| dat men wel toezie, dat men de Joden, die uit de gevangenis
25 6, 32| 32 Daartoe zal men bevelen, zo wie overtreden
26 6, 32| hetgeen aangeschreven is, dat men een balk zal nemen van zijn
27 8, 14| land van Babylonië, dat men dat weder brenge de Here
28 8, 15| te Jeruzalem is; en dat men vergadere het goud en het
29 8, 16| 16 Opdat men de Here offere offeranden
|