Chapter, Verse
1 1, 4 | hebt acht op Israël zijn volk, en bereidt alles naar uw
2 1, 7 | 7 En Josia schonk het volk, dat daar bevonden werd,
3 1, 8 | volgens zijn belofte, aan het volk en aan de priesters en de
4 1, 10| oversten der vaderen, voor het volk,~
5 1, 13| brachten het voor al het volk. Daarna bereidden zij dat
6 1, 24| tegen de Here, meer dan enig volk en koninkrijk, en die hem
7 1, 34| 34 En het volk nam Joachas, de zoon van
8 1, 36| 36 En legde het volk een geldstraf op van honderd
9 1, 52| vertoornd zijnde over zijn volk vanwege hun goddeloosheid,
10 2, 5 | iemand van u is uit zijn volk, de Here zij met hem, en
11 2, 30| leger van ruiters en voet volk.~
12 4, 10| 10 En al zijn volk, en zijn heerlegers zijn
13 4, 15| wereld gebracht, en al het volk, dat de zee en de aarde
14 4, 41| hij zweeg stil. En al het volk riep toen, en sprak toen:
15 5, 9 | nu dergenen, die van het volk waren, met hun oversten,
16 5, 46| Levieten, en die van dit volk waren, zetten zich neder
17 5, 62| 62 En het ganse volk blies met bazuinen, en riep
18 5, 65| 65 Zodat het volk de bazuinen niet wel hoorde,
19 6, 16| verbrand hebben en hebben het volk gevankelijk naar Babylon
20 6, 33| teniet een ieder koning en volk, welke zijn hand zal uitsteken,
21 8, 11| vrijwillig begeren uit het Joodse volk, en de priesters, en de
22 8, 15| 15 Met hetgeen dat van uw volk gegeven is tot de tempel
23 8, 68| en zij verheerlijkten het volk en de tempel des Heren.~
24 8, 69| tot mij, en zeiden: Het volk Israëls, en de oversten,
25 9, 47| 47 En al het volk antwoordde daarop Amen!
26 9, 50| tot de Levieten die het volk boven allen leerden:~
27 9, 54| Levieten bevalen het ganse volk, zeggende: Deze dag zelf
|