Chapter, Verse
1 1, 5 | heiligdom naar de verdeling der oversten uwer vaderen, de Levieten,
2 1, 9 | Zacharia, en Suëlus, die Oversten des tempels waren, schonken
3 1, 10| naar de verdeling van de oversten der vaderen, voor het volk,~
4 1, 29| het veld Megiddo, en de oversten kwamen af tegen de koning
5 1, 49| 49 En ook de oversten des volks en der priesters
6 3, 2 | vorsten, en krijgsoversten, en oversten der landen, die onder hem
7 3, 9 | wie de koning en de drie oversten van Perzië zullen oordelen,
8 3, 14| en de krijgsoversten, en oversten der landen, en de burgemeesters.~
9 5, 1 | verkoren om op te trekken de oversten van de huizen der vaderen
10 5, 8 | Rheëlius, Rorinus, Baänas, hun oversten.~
11 5, 9 | het volk waren, met hun oversten, was: de kinderen Parosch
12 5, 44| 44 En enigen uit de oversten van hun familiën, als zij
13 5, 63| priesters en Levieten, en oversten naar hun geslachten, die
14 5, 70| Zerubabel, en Jozua en de oversten der vaderlijke geslachten
15 6, 7 | die in Syrië en Fenicië oversten zijn, wensen Darius de koning
16 6, 12| de namen dergenen die hun oversten zijn.~
17 7, 8 | bokken, naar het getal der oversten van de twaalf geslachten
18 8, 31| 31 En deze zijn de oversten naar hun vaderlijke geslachten
19 8, 45| Zacharia en Mosollamon de oversten, en geleerden.~
20 8, 50| dienden, die David en de oversten gegeven hadden tot het werk
21 8, 55| 55 En ik zonderde van de oversten der priesters twaalf mannen
22 8, 60| gij ze overlevert aan de oversten der priesters en Levieten,
23 8, 60| priesters en Levieten, en aan de oversten der vaderlijke huizen Israëls
24 8, 69| volbracht waren, zo kwamen de oversten tot mij, en zeiden: Het
25 8, 69| Het volk Israëls, en de oversten, en de priesters, en de
26 8, 71| en aan deze zonde zijn de oversten en de groten van het begin
27 8, 97| stond op, en beëedigde de oversten der priesters en Levieten
|