Chapter, Verse
1 1, 2 | naar hun dagordening in de tempel des Heren.~
2 1, 41| weg, en zette die in zijn tempel te Babylon.~
3 1, 49| heidenen, en bevlekten de tempel des Heren, die te Jeruzalem
4 1, 53| de omgang van hun heilige tempel, en spaarden noch jongeling,
5 2, 7 | geloften toebrengt in de tempel des Heren, die te Jeruzalem
6 2, 18| muren herstellen, en de tempel weder oprichten.~
7 2, 20| het werk is met hetgeen de tempel aangaat, zo heeft ons goed
8 4, 45| 45 En gij hebt beloofd de tempel te bouwen, welke de Idumeeërs
9 4, 63| Jeruzalem te bouwen en de tempel waarover zijn naam aangeroepen
10 5, 44| familiën, als zij nu in de tempel Gods te Jeruzalem kwamen,
11 5, 53| offeranden te offeren, en de tempel des Heren was nog niet gebouwd.~
12 5, 56| tweede jaar nadat hij tot de tempel Gods te Jeruzalem was gekomen,
13 5, 59| de bouwlieden bouwden de tempel des Heren, en de priesters
14 5, 67| gevangenis waren gekomen, de tempel bouwden voor de Here de
15 6, 18| was, en die hij in zijn tempel gezet had, deze nam Cyrus
16 6, 18| Cyrus de koning weder uit de tempel die te Babylon is, en werden
17 6, 19| wegnemen, en zetten in de tempel te Jeruzalem, en dat de
18 6, 19| te Jeruzalem, en dat de tempel des Heren zou gebouwd worden
19 7, 7 | tot de inwijding van de tempel des Heren honderd stieren,
20 8, 15| uw volk gegeven is tot de tempel des Heren, huns Gods, die
21 8, 18| zijn tot het gebruik van de tempel uws Gods,~
22 8, 50| 50 En van degenen, die de tempel dienden, die David en de
23 8, 61| leveren brachten die in de tempel des Heren.~
24 8, 68| verheerlijkten het volk en de tempel des Heren.~
25 8, 82| 82 En om de tempel onzes Heren te verheerlijken,
26 8, 92| weende, liggende voor de tempel op de aarde, zo is is tot
|