Chapter, Verse
1 1, 4 | En nu: dient de Here uw God, en hebt acht op Israël
2 1, 27| 27 Ik ben tegen u door God de Here niet uitgezonden,
3 1, 50| 50 En de God hunner vaderen zond tot
4 2, 8 | en al degenen, wier geest God verwekte om op te trekken,
5 4, 40| eeuwen. Geprezen zij de God der waarheid!~
6 4, 62| 62 En zij loofden de God hunner vaderen, dat hij
7 5, 49| bereidden het altaar van de God Israëls, om daarop brandofferen
8 5, 53| 53 En allen, die God geloften gedaan hadden,
9 5, 53| zevende maand af, begonnen God offeranden te offeren, en
10 5, 67| bouwden voor de Here de God Israëls.~
11 5, 69| Want wij behoren aan uw God gelijk als gij, en doen
12 5, 71| bouwen voor de Here onze God:~
13 6, 1 | waren, in de naam van de God Israëls.~
14 6, 31| geofferd worden aan de hoogste God, voor de koning, en zijn
15 7, 4 | door het bevel des Heren de God van Israël, en met goedvinden
16 7, 9 | de werken des Heren, de God Israëls, volgens het boek
17 7, 15| de werken des Heren, de God Israëls.~
18 8, 23| wet Gods, voor de hoogste God; opdat de toorn Gods niet
19 8, 28| Geloofd zij alleen de Here de God mijner vaderen, die dit
20 8, 66| tot offeranden de Here de God Israëls, twaalf stieren,
21 8, 73| het woord des Heren, de God Israëls, daar ik treurig
22 8, 81| verlaten door de Here onze God, maar hij heeft ons in genade
23 9, 8 | heerlijkheid de Here, de God onzer vaderen.~
24 9, 39| halen, die door de Here, de God Israëls was gegeven.~
25 9, 46| loofde de Here, de hoogste God, de God der heerscharen,
26 9, 46| Here, de hoogste God, de God der heerscharen, de almachtige;~
|