Chapter, Verse
1 1, 32| de voornaamsten met hun vrouwen beklaagden hem tot op deze
2 3, 12| 12 De derde schreef: De vrouwen zijn de sterkste, maar boven
3 4, 13| 13 De derde, die van de vrouwen en van de waarheid had gezegd,
4 4, 15| regeert? zijn het niet de vrouwen? De vrouwen hebben de koning
5 4, 15| het niet de vrouwen? De vrouwen hebben de koning ter wereld
6 4, 17| mensen kunnen zonder de vrouwen niet zijn.~
7 4, 22| hieruit moet gij weten, dat de vrouwen u regeren.~
8 4, 26| hun zinnen beroofd om der vrouwen wil, en zijn om harentwil
9 4, 27| hebben gezondigd om der vrouwen wil.~
10 4, 32| mannen, hoe zijn dan de vrouwen niet sterk, dewijl zij,
11 4, 34| 34 O mannen, zijn niet de vrouwen sterk! Groot is de aarde,.
12 4, 37| koning is onrecht, in de vrouwen is onrecht, in alle kinderen
13 5, 1 | naar hun stammen, met hun vrouwen en hun zonen en dochteren,
14 8, 92| uit Jeruzalem, mannen, en vrouwen, en jongelingen, want het
15 8, 93| Here, wij hebben vreemde vrouwen ten huwelijk genomen, uit
16 8, 94| de Here, dat wij al onze vrouwen, die van vreemd geslacht
17 9, 7 | gedaan, en hebt uitlandse vrouwen ten huwelijk genomen, om
18 9, 9 | land, en van de uitlandse vrouwen.~
19 9, 12| onze inwoners uitlandse vrouwen hebben;~
20 9, 17| de mannen die uitlandse vrouwen hadden, op de nieuwe maan
21 9, 18| gevonden, die uitlandse vrouwen hadden genomen.~
22 9, 20| hand daaraan; dat zij hun vrouwen verstieten; en dat zij rammen
23 9, 36| Deze allen hadden uitlandse vrouwen ten huwelijk, en verlieten
24 9, 40| menigte, zo der mannen als der vrouwen, en voor al de priesters
25 9, 41| tegenwoordigheid van mannen en vrouwen; en de gehele menigte keerde
|