Chapter, Verse
1 1, 26| zeggende: Wat heb ik met u te doen, gij koning Juda?~
2 2, 24| 24 Zo doen wij nu u Heer koning weten,
3 2, 26| daarop bevolen onderzoek te doen, en daar is bevonden, dat
4 2, 29| de koningen moeite aan te doen.~
5 3, 6 | 6 Hij zal hem met purper doen kleden, en uit gouden vaten
6 3, 6 | kleden, en uit gouden vaten doen drinken, en op gouden koetsen
7 3, 6 | drinken, en op gouden koetsen doen slapen, en zal hem een wagen
8 3, 25| dewijl hij dit dwingt te doen? En hij zweeg stil, als
9 4, 4 | zullen oorlog aandoen, zij doen het; en indien hij uitzendt
10 4, 11| noch zijn eigen werken doen, en zijn hem niet ongehoorzaam.~
11 4, 32| niet sterk, dewijl zij, zo doen?~
12 4, 47| dat zij hem zouden geleide doen, en allen die met hem opgingen
13 4, 54| kleding waarin zij dienst doen.~
14 4, 57| hetgeen Cyrus bevolen had te doen, dat beval hij ook te doen,
15 4, 57| doen, dat beval hij ook te doen, en naar Jeruzalem te zenden.~
16 5, 69| uw God gelijk als gij, en doen hem offeranden, van de dagen
17 6, 5 | totdat men Darius hiervan zou doen weten, en men antwoord zou
18 6, 24| bouwen, waar men offeranden doen zou door gedurig vuur.~
19 6, 32| overtreden zal, of teniet doen iets van hetgeen aangeschreven
20 8, 13| Jeruzalem is bezoeken, en doen volgens hetgeen in de wet
21 8, 17| uw broederen zult willen doen met het goud en zilver,
22 8, 96| om de kracht daarbij te doen.~
23 8, 97| Israël, dat zij hiernaar doen zouden, en zij zwoeren.~
24 9, 10| luider stem: Wij zullen alzo doen gelijk gij gezegd hebt:~
|