Chapter, Verse
1 1, 53| heilige tempel, en spaarden noch jongeling, noch maagd, noch
2 1, 53| spaarden noch jongeling, noch maagd, noch ouden, noch
3 1, 53| noch jongeling, noch maagd, noch ouden, noch jongen.~
4 1, 53| noch maagd, noch ouden, noch jongen.~
5 4, 6 | die in de krijg niet gaan noch oorlog voeren, maar het
6 4, 11| en niemand durft weggaan, noch zijn eigen werken doen,
7 4, 14| mannen, niet de grote koning, noch de veelheid der mensen,
8 4, 14| de veelheid der mensen, noch de wijn is de sterkste.~
9 4, 21| hij zijn leven; en gedenkt noch zijn vader, noch zijn moeder,
10 4, 21| gedenkt noch zijn vader, noch zijn moeder, noch zijn land.~
11 4, 21| vader, noch zijn moeder, noch zijn land.~
12 4, 49| vrijheid, dat geen machtige, noch landvoogd, noch vorst, noch
13 4, 49| machtige, noch landvoogd, noch vorst, noch rentmeester
14 4, 49| noch landvoogd, noch vorst, noch rentmeester in hun deuren
15 8, 24| geboden, dat geen priesters, noch Levieten, noch heilige zangers,
16 8, 24| priesters, noch Levieten, noch heilige zangers, noch deurwachters,
17 8, 24| Levieten, noch heilige zangers, noch deurwachters, noch dienaren
18 8, 24| zangers, noch deurwachters, noch dienaren des tempels, noch
19 8, 24| noch dienaren des tempels, noch schriftgeleerden enige schatting
20 8, 25| 25 Noch dat iemand macht hebbe hun
21 8, 89| uitgeroeid hebt? totdat gij noch onze wortel, noch zaad,
22 8, 89| totdat gij noch onze wortel, noch zaad, noch naam hebt overgelaten?~
23 8, 89| onze wortel, noch zaad, noch naam hebt overgelaten?~
|